Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.3.5.1
3.3.3.5.1 Het toevertrouwen van de trustgoederen aan de trustee
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717459:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:153, NJ 1959/171, m.nt. Schuttevâer; HR 17 maart 1971, ECLI:NL:HR:1971:AC5095, NJ 1972/136, m.nt. E.A.A. Luijten.
M.J.A. van Mourik e.a. (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2020, p. 675 e.v.; S. Perrick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 252 e.v.
Met het woord ‘verrijking’ wordt in casu bedoeld dat de trustee ‘legal owner’ oftewel rechthebbende wordt van de trustgoederen. Van een daadwerkelijke economische verrijking is geen sprake.
Zie in dit kader: P.S. Davies & G. Virgo, Equity & Trusts. Text, Cases and Materials, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 45; P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 25-26. Vgl ook: W.J. Zwalve, ‘‘You can’t have your cake and eat it.’ Art. 3:84 lid 3 BW als kernbepaling van toekomstig Nederlands trustrecht’, RMThemis 2015/4, p. 146.
Zie hoofdstuk 4.
Blijkens art. 7:186 lid 2 BWC wordt als gift aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. De laatste volzin van het tweede lid van het voornoemde artikel bepaalt echter dat zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, de handelingen als bedoeld in de eerste volzin van art. 7:186 lid 2 BWC niet beschouwd kunnen worden als een gift. Hieruit volgt dat aan de volgende vier vereisten moet worden voldaan, wil er sprake zijn van een gift:
Een handeling om niet;
Verarming van de schenker en de verrijking van de begiftigde;
Bevoordelingsbedoeling;
Vermogensverschuiving1.2
Ten aanzien van het toevertrouwen van de trustgoederen aan de trustee in diens hoedanigheid is mijns inziens op geen enkele wijze sprake van een gift ex art. 7:186 lid 2 BWC. Zoals meermalen is uiteengezet, is het toevertrouwen van de trustgoederen aan de trustee constitutief voor het bestaan van het trustverband en daarmee ook voor de trustrechtelijke verplichtingen van de trustee. Deze trustrechtelijke verplichtingen zijn aan de trustee opgelegd, omdat hij degene is die de onder trustverband gestelde goederen ten behoeve van een aantal (potentiële) begunstigden of ter verwezenlijking van een bepaald doel beheert. Het toevertrouwen geschiedt met het oog op beheer, zodat – hoewel de insteller wordt verarmd, de trustee wordt verrijkt3 en er sprake is van een vermogensverschuiving in geval van een overdracht ten titel van trust – een bevoordelingsbedoeling ontbreekt.4 Derhalve lijdt het geen twijfel dat het toevertrouwen aan de trustee – of het nu een overdracht ten titel van trust, dan wel een ‘declaration of trust’ betreft – nimmer als een gift kan worden aangemerkt.5
Ingeval een testamentaire trust in het leven is geroepen, is thans in het Curaçaose recht onduidelijk op welke wijze de trustee de trustgoederen dient te verkrijgen. Derhalve is het onzeker krachtens welke titel de overdracht in dat specifieke geval moet plaatsvinden.6