Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.4.1:10.4.4.1 De splitsingspartners
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.4.1
10.4.4.1 De splitsingspartners
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491682:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 bestaan twee zekerheid-vooraf-mogelijkheden. De eerste mogelijkheid kan aan de orde komen voordat de splitsing ten uitvoer wordt gebracht. Op grond van art. 14a, lid 8, Wet VPB 1969 kan de splitsende rechtspersoon de inspecteur namelijk verzoeken te bevestigen dat de voorgenomen splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De inspecteur beslist op dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De tweede mogelijkheid houdt verband met het tweede bewijsvermoeden, dus met een concernexterne vervreemding van aandelen in de gesplitste of een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na een fiscaal gefaciliteerde splitsing. De gesplitste rechtspersoon of de verkrijgende rechtspersoon kan de inspecteur op grond van art. 14a, lid 9, Wet VPB 1969 voorafgaande aan de voorgenomen vervreemding van aandelen vragen te bevestigen dat het aannemelijk is dat de splitsing – ondanks die vervreemding – niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Ook in dit geval beslist de inspecteur op dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.