Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.G.6
6. Uitgebreide kavelruil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477359:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. 11 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag), p. 27.
Zie in dit kader tevens Asser-Beekhuis, tweede deel, Zakenrecht, p. 241. Zie tevens W.I. de Vries, ‘Goederenrechtelijke hulpinstrumenten: contractuele mandeligheid bij kleinschalige gebiedsontwikkeling?’.
Deze referentie naar ‘kleine gebieden’ is in de jurisprudentie meermaals aangevoerd als argument om bedrijfsverplaatsingen door middel van een kavelruil niet te fiatteren. Zie bijv. Hof Amsterdam 27 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3092, behandeld in onderdeel G.6.J.13 van het vorige hoofdstuk.
Denk in dit kader aan het laten ‘hermeanderen’ van beken.
Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3427-3428 (mondelinge behandeling wetsvoorstel Landinrichtingswet).
Zie Kamerstukken II 1983/1984, 15907, nr. 83.
Zie tevens P. de Haan, Onroerend-goedrecht, deel c, Landinrichting, p. 77.
Als variant op de administratieve ruilverkaveling stelde de D’66-fractie tijdens de parlementaire behandeling van de Landinrichtingswet1 voor om als vijfde vorm van landinrichting ‘uitgebreide kavelruil’ in de Landinrichtingswet op te nemen. De fractie achtte het instrument ruilverkaveling bij overeenkomst onvoldoende in staat tot het oplossen van problemen, doordat vrijwel altijd sprake van een kleinschalige aanpak.2 De uitgebreide kavelruil, die het midden hield tussen de kavelruil en de herverkaveling, kwam er in de kern op neer dat er een herverkaveling van het betreffende gebied plaats zou vinden, uitsluitend gepaard gaand met de voorzieningen die met het oog op de indeling en aanvaarding van de nieuwe kavels ten behoeve van land-, tuin-, en bosbouw, de natuur, het landschap en de openluchtrecreatie noodzakelijk zijn. Deze ‘mengvorm’ schiep volgens de leden van de fractie de in de praktijk vurig gewenste mogelijkheid om in gebieden van beperkte omvang3 kavels te ruilen, gekoppeld aan beperkte verbeteringsmaatregelen (zoals waterbeheersing4 en ontsluiting). Begeleiding van deze landinrichtingsvorm zou plaatsvinden door een door Gedeputeerde Staten ingestelde commissie waarin vertegenwoordigers van de meest betrokken belangen zitting zouden hebben. Vereist was wel dat minimaal 75% van de eigenaren en pachters hun instemming zouden geven voor de uitvoering van de uitgebreide kavelruil.5 Een amendement van het D’66 Kamerlid Tommel6 werd echter door de Tweede Kamer verworpen: zij achtte de regeling van de vrijwillige kavelruil afdoende.7 De uitgebreide kavelruil heeft dus, net als de administratieve ruilverkaveling, de parlementaire eindstreep niet gehaald. Gezien de hiervoor in onderdelen G.2 tot en met G.5 omschreven en in de praktijk ontwikkelde varianten op de kavelruil, hoeft de praktijk hier niet rouwig om te zijn: ook zonder de beide politieke varianten op en substituten voor de ‘traditionele kavelruil’, is de praktijk prima in staat gebleken de oer-kavelruil te kneden, te mengen en te boetseren tot allerlei alternatieve instrumenten, die – over het geheel genomen – voor de practicus een welkome aanvulling op het reeds bestaande (wettelijke) instrumentarium vormen.