Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.4.1
5.4.1 Ambtshalve onderzoek: strafverzwarende omstandigheden
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466904:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Melai/Groenhuijssen e.a., aantekening 2 bij artikel 312 Sv. Zij vinden ‘het […] een juist uitgangspunt, dat de instantie die vervolgt en niet de instantie die berecht, een omstandigheid ter tafel brengt, die tot strafverzwaring zou kunnen leiden’.
De strafrechter kan bijvoorbeeld ook rekening houden met recidive zonder dat het OM artikel 43a Sr ten laste heeft gelegd, al kan hij geen straf opleggen boven het maximum van het basisfeit.
In de tenlastelegging en de bewezenverklaring kan overigens volstaan worden met een summiere feitelijke omschrijving van de recidive, als de volledige feitelijke omschrijving van eerder begane strafbare feiten kunnen worden afgeleid uit het als bewijsmiddel gevoegde uittreksel justitiële documentatie (Hoge Raad 2 juli 2013, nr. 12/02798, ECLI:NL:HR:2013:67).
Hoge Raad 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6916 (NJ 2012/561) en Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6981 (NJ 2003, 126, met noot Reijntjes). Schuyt vindt overigens dat meerdaadse samenloop (artikel 57 Sr) niet door het OM ten laste gelegd kan worden, omdat dit als het ware een automatische gevolgtrekking is gezien de ten laste gelegde feiten (Schuyt, p. 258). Volgens haar zou de strafrechter dan ook meerdaadse samenloop ambtshalve moeten toepassen, wanneer dit logischerwijze volgt uit de bewezenverklaring van de verschillende ten laste gelegde feiten.
Zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.4.2, inzake EHRM 24 oktober 1996, appl.no. 21525/93 (De Salvador Torres) en NJ 1998, 294 (met noot Knigge). In deze zaak ging het EHRM akkoord met een ambtshalve toepassing van de algemene strafverzwaringsgrond ‘ambtelijke functie’ (vgl. artikel 44 Sr) door het Spaanse Hooggerechtshof.
In het fiscale bestuurlijke boeterecht ligt het bewijsrisico van strafverzwarende omstandigheden bij de inspecteur. Paragraaf 6, lid 5 BBBB bepaalt daartoe onder andere dat ‘de stelplicht en bewijslast’ van strafverzwarende factoren op de inspecteur rust. Dit betekent dat de inspecteur onderzoek naar dergelijke omstandigheden moet verrichten, ook uit eigener beweging.
In het strafrecht zal nader ambtshalve onderzoek ter terechtzitting plaats moeten vinden in die gevallen waarin het eerdere onderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd voor het bepalen van de strafmaat. Dit risico zal zich met name voordoen met betrekking tot strafbeïnvloedende omstandigheden die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Dergelijke omstandigheden vallen namelijk enigszins buiten het bestek van de wettelijke regeling omtrent onderzoek en bewijs, waardoor het blootleggen hiervan afhankelijk is van de mate van initiatief van de procesdeelnemers.
Voor wat betreft het onderzoek naar strafverzwarende omstandigheden, ligt het ‘bewijsrisico’ in zekere zin primair bij de OvJ; de verdachte draagt in het geheel geen bewijslast en heeft daarnaast ook geen enkel belang bij het stellen van strafverzwarende omstandigheden. De OvJ zal deze omstandigheden veelal óf in de tenlastelegging opnemen – als ze onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving – óf vermelden in zijn requisitoir en meewegen in zijn strafeis. Aldus worden ze ter kennis van de rechter gebracht.
Maar wat nu als de OvJ bijvoorbeeld een uit het strafdossier blijkende mogelijk strafverzwarende omstandigheid niet meeneemt in de tenlastelegging en niet (kenbaar) meeweegt bij zijn te vorderen straf? Moet de strafrechter, die het strafdossier heeft bestudeerd, daar dan uit zichzelf (nader) onderzoek naar doen? Naar mijn mening wel. Als onafhankelijk en onpartijdige instantie is de strafrechter eindverantwoordelijk voor een passende, rechtvaardige bestraffing. Hij dient daarbij alle relevante belangen voor ogen te houden, zowel die van de verdachte als die van de door de OvJ vertegenwoordigende maatschappij. Met andere woorden, de strafrechter zal in beginsel met alle strafbeïnvloedende omstandigheden rekening moeten houden.1 Dit betekent dus ook dat als de OvJ steken laat vallen met betrekking tot het expliciteren van mogelijk relevante strafverzwarende omstandigheden, de strafrechter desalniettemin ambtshalve onderzoek moet doen naar dergelijke omstandigheden.2 Daarbij is hij uiteraard niet tot het onmogelijke gehouden; het aantal strafbeïnvloedende factoren is immers ongelimiteerd. Ik kan me dan ook voorstellen dat de strafrechter zijn zelfstandige onderzoeksactiviteiten aanpast aan bijvoorbeeld de grootte van de strafzaak en de omvang van het strafdossier, maar ook aan de (mogelijke) strafeis en -modaliteit en de betrokken belangen.
Overigens moet het ambtshalve naar strafverzwarende omstandigheden worden onderscheiden van het ambtshalve toepassen van strafverzwarende omstandigheden. Dit laatste is de strafrechter namelijk niet zonder meer toegestaan met betrekking tot wettelijke strafverzwarende omstandigheden. Wil de strafrechter bij de strafmaat bijvoorbeeld rekening houden met recidive op grond van artikel 43a Sr, dan zal dit door de OvJ ten laste moeten worden gelegd3 en met wettige bewijsmiddelen bewezen moeten worden.4 De Hoge Raad lijkt daarmee overigens een stap verder te gaan dan het EHRM.5
Op grond van het vijfde lid van paragraaf 6 van het BBBB moet de inspecteur onderzoek doen naar strafverzwarende omstandigheden. In zoverre lijkt de inspecteur op dit punt op de OvJ, met dit verschil dat hij bij het daadwerkelijk in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden niet ‘gehinderd’ wordt door een interne ‘strafrechterlijke’ toets. De inspecteur is immers én aanklager én bestraffer (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.2.1.3). Daarbij merk ik op dat de afstemmingsverplichting van paragraaf 25, lid 4 BBBB geen uitsluitstel geeft over een dergelijke ijking met betrekking tot de aanwezigheid van strafverzwarende omstandigheden.