Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.4
4.2.4 Formele en materiële kenmerken op grond van het huidige recht
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383691:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit blijkt naast de in paragraaf 3.2.3. aangehaalde wetsgeschiedenis bij de WS 1956 uit het arrest Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953, 317 (Stichting B.W.T.), dat enkele jaren voor de invoering van de WS 1956 werd gewezen.
Zoals opgemerkt in paragraaf 3.2.4 hangen de eerste twee kenmerken met elkaar samen en zouden zij in plaats van twee ook één rechtskenmerk genoemd kunnen worden.
In de wettelijke omschrijving van de vereniging in artikel 2:26 BW kunnen evenals bij de stichting materiële kenmerken worden onderscheiden die zien op de organisatie enerzijds en op de werkzaamheden (dat wil zeggen: het doel) van de vereniging anderzijds. Onder materiële kenmerken die zien op de werkzaamheden wordt begrepen het verbod voor de vereniging om winst onder haar leden te verdelen. Het voorschrift dat de vereniging geen doel mag hebben als omschreven in artikel 53 lid 1 en 2 bakent de vereniging af van de coöperatie respectievelijk de onderlinge waarborgmaatschappij. Het organisatorische kenmerk van de vereniging is het hebben van leden.
Timmerman maakt een onderscheid tussen materiële kenmerken en verboden die Boek 2 BW voor bepaalde rechtsvormen geeft (Timmerman 1991, p. 877).
Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen (artikel 2:26 lid 3 BW). Een vereniging kan evenmin aan oprichters, bestuurders of commissarissen winst uitkeren, maar een vergoeding voor verrichte diensten is wel mogelijk. Uitkeringen met een ideële of sociale strekking kan de vereniging niet alleen aan derden maar ook aan haar leden doen. Bij ontbinding van de vereniging komt het batig saldo wel toe aan de leden. Dijk/ Van der Ploeg 2013, par. 2.2.1.
Boek 2 BW bevat tegenwoordig een limitatieve opsomming van rechtspersonen, maar het onderscheid tussen corporatieve en niet-corporatieve rechtspersonen is nog steeds zichtbaar in het huidige recht. Dat de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de NV en de BV in oorsprong een samenwerkingskarakter hebben is terug te zien in het feit dat deze rechtspersonen een algemene vergadering hebben dat een orgaan van “samenwerkende” leden of aandeelhouders is. De NV en de latere BV zijn van oorsprong corporatieve rechtspersonen waar aandeelhouders met elkaar samenwerken in een vennootschappelijk verband. Overigens bestaan voor deze rechtsvormen (tegenwoordig) slechts beperkte samenwerkingsverplichtingen: de enige wettelijke samenwerkingsverplichting van aandeelhouders is thans nog het deelnemen in het in aandelen verdeelde kapitaal. Bovendien zijn vennootschappen met één aandeelhouder waarin geen sprake is van samenwerking wettelijk erkend en toegestaan: de eenpersoonsvennootschap wordt op een aantal plekken in Boek 2 BW, zoals artikel 2:137/249 BW, uitdrukkelijk genoemd.1
Formeel vereiste
Uit het huidige wettelijk systeem vloeit voort dat rechtspersonen zich in eerste instantie niet onderscheiden door materiële maar door formele kenmerken, dat wil zeggen: door de oprichtingsvereisten. De oprichtingshandeling is beslissend voor de vraag of sprake is van een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, NV, BV of stichting. Het formele vereiste voor oprichting van een stichting is het passeren van een notariële akte van oprichting die de statuten van de stichting bevat.
Iemand die een activiteit wenst onder te brengen in rechtspersoon kan in beginsel zelf kiezen welke rechtsvorm hij passend vindt. Een rechtspersoon die bij notariële akte is opgericht als een stichting geldt rechtens als stichting. Als een rechtspersoon echter niet voldoet aan de materiële vereisten, is hij ontbindbaar (zie paragraaf 4.2.5 hierna).
Materiële vereisten
Zoals in paragraaf 3.2.3 werd beschreven was een belangrijke reden om de stichting in 1956 wettelijk te regelen, het voorkomen van misbruik van de stichtingsvorm.2 Indien de vereniging of naamloze vennootschap een meer geëigende vorm is, zou die rechtsvorm gebruikt moeten worden, aldus de MvT bij de WS 1956. Om die reden werden, naast een formeel vereiste, materiële vereisten van de stichting opgenomen in de eerste wettelijke omschrijving van de stichting.
Een stichting kan weliswaar rechtsgeldig zijn opgericht, maar indien de stichting bij oprichting of daarna niet meer aan één of meer materiële kenmerken voldoet, kan zij door de rechter worden ontbonden (zie het huidige artikel 2:21 lid 1 sub c BW). Dit principe werd reeds in de WS 1956 neergelegd (artikel 1WS 1956).
Wettelijke materiële kenmerken
Hiervoor in paragraaf 3.2.4. werden de materiële kenmerken van de stichting al opgesomd:
het hebben van een doelgebonden vermogen;
het uitkeringsverbod; en
het ledenverbod.
De eerste twee materiële kenmerken zien op het doel en het werkterrein van de stichting3 en het derde kenmerk ziet op de organisatie van de rechtspersoon.4 Het uitkeringsverbod is via de negatieve omschrijving gekoppeld aan het doel van de stichting: “het doel mag niet inhouden het doen van uitkeringen”. Timmerman merkt op dat het opmerkelijk is dat het uitkeringsverbod bij de stichting in de wettelijke omschrijving is opgenomen. Volgens hem is een dergelijk verbod in het systeem van de wet eigenlijk geen materieel kenmerk.5 Voor de vereniging geldt een vergelijkbaar verbod: een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen (artikel 2:26 lid 3 BW),6 maar anders dan bij de stichting maakt dit verbod bij de vereniging formeel geen deel uit van de wettelijke omschrijving. Het feit dat het uitkeringsverbod voor de stichting is opgenomen in de wettelijke omschrijving, is relevant voor de daaraan verbonden sancties. Het niet voldoen aan een materieel kenmerk valt onder artikel 2:20 lid 1 sub c BW terwijl het overtreden van een aan zijn rechtsvorm gesteld verbod valt onder artikel 2:20 lid 3 BW. De sancties op het niet voldoen aan een materieel kenmerk komen thans aan de orde.