Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/5.6.2.3
5.6.2.3 Bevestiging van een besluit op grond van art. 2:15 lid 6 BW
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS598533:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wie voort wil maken en het besluit aansluitend aan de procedure wil bekrachtigen, zou hangende de procedure een bevestigingsbesluit kunnen nemen. Dat besluit moet dan genomen worden onder de opschortende voorwaarde dat het besluit niet vernietigd wordt. Als geen vernietiging van het besluit volgt, treedt de bevestiging in werking en is het besluit onaantastbaar geworden.
In § 5.1 besprak ik de vernietiging van besluiten wegens tegenstrijdig belang. Op deze plaats merk ik op dat de regel dat een wegens strijd met art. 2:15 lid 1 sub a BW vernietigbaar besluit door bevestiging geheeld kan worden ook voor de in art. 2:129/239 lid 6 bedoelde bestuursbesluiten geldt. Voor dit besluit gelden dezelfde vereisten als voor het bestuursbesluit. Een bestuurder met een tegenstrijdig belang mag dus ook niet deelnemen aan de besluitvorming die moet leiden tot bevestiging van het bestuursbesluit. Lennarts/Boschma 2008, p. 732.
De Groot 1995, 267-268, Huizink 2003, p. 195, 196, Snijders 2003, p. 707-708.
Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), p. 173.
De Monchy/Timmerman 1991, p. 92, De Groot 1995, nr. 267-268, Huizink 2003, p. 197, Snijders 2003, p. 707.
Asser - Hartkamp 4.11 nr. 476, De Monchy/Timmerman 1991, p. 91, Huizink 2003, p. 197, Snijders 2003, p. 708.
Een wegens het niet naleven van art. 2:15 lid 1 sub a BW vernietigbaar besluit kan volgens art. 2:15 lid 6 BW bevestigd worden. Bevestiging vindt plaats door een daartoe strekkend besluit dat genomen wordt door het orgaan dat het oorspronkelijke besluit nam. Voor het bevestigingsbesluit gelden dezelfde vereisten als voor het oorspronkelijke besluit. Uit de memorie van toelichting volgt dat het bevestigingsbesluit een zelfstandig besluit is. Het effect daarvan is dat het gebrekkige besluit buiten het bereik van de vernietiging wordt gebracht. Het geldt voortaan als onaantastbaar besluit vanaf het tijdstip waarop het is genomen.1 Dat bevestiging terugwerkende kracht heeft, volgt niet uit de memorie van toelichting maar is wel af te leiden uit de tweede zin van lid 6. Zolang een vordering tot vernietiging aanhangig is, kan het besluit niet bevestigd worden omdat door een bevestiging tijdens de procedure juist de grond voor de vordering tot vernietiging weggenomen zou kunnen worden.2
De mogelijkheden voor bevestiging van een besluit zijn beperkt. Alleen als een wettelijk of statutair totstandkomingsvoorschrift geschonden is, zie art. 2:15 lid 1 sub a BW, is bevestiging mogelijk.3 Bevestiging op grond van lid 6 van een besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid, art. 2:15 lid 1 sub b BW, zal afstuiten op het feit dat als een besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ook het bevestigingsbesluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid zal zijn. Bevestiging heeft dan geen zin. Er zou een opeenstapeling van gebrekkige besluiten ontstaan. Als het gaat om een besluit dat qua totstandkoming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wil ik echter niet uitsluiten dat indien alle belanghebbenden zich daarin kunnen vinden, het besluit toch bevestigd wordt door het nemen van een bevestigingsbesluit.4
Een besluit in strijd met een reglementaire totstandkomingsbepaling, art. 2:15 lid 1 sub c BW, kan niet bevestigd worden op grond van lid 6. Dat vind ik vreemd. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de minister gesteld dat in dat geval bevestiging op grond van art. 3:55 BW mogelijk is, zonder daarbij aan te geven waarom een besluit in strijd met een reglement alleen bevestigd kan worden op grond van art. 3:55 BW en niet op grond van lid 6.5 Bevestiging op grond van art. 3:55 BW heeft namelijk als bezwaar dat het besluit niet onaantastbaar wordt door die bevestiging. Bevestiging op grond van art. 2:15 lid 6 BW is geënt op de bekrachtiging van art. 3:58 BW en heeft andere gevolgen dan bevestiging op grond van art. 3:55 BW.6 Bevestiging op grond van art. 2:15 lid 6 BW strijkt een vormgebrek glad doordat het orgaan een besluit neemt dat wel aan de vereisten voldoet. Daarna kunnen belanghebbenden geen beroep meer doen op de vernietigbaarheid van het besluit. Wat bij bevestiging op grond van art. 2:15 lid 6 BW in feite gebeurt, is dat aan een vereiste voor de totstandkoming door het nieuwe besluit alsnog voldaan wordt. In art. 2:15 lid 6 BW wordt daarvoor wel het woord bevestigen gebruikt maar daarmee wordt iets anders bedoeld dan met bevestigen in art. 3:55 BW. De bevestiging van art. 3:55 BW strijkt niets glad maar ontneemt degene die bevestigd heeft de mogelijkheid om een beroep op het geconstateerde gebrek te doen. Daarmee wordt in feite afstand gedaan van het recht om beroep te doen op een vernietigingsgrond.7 Artikel 2:15 lid 6 BW is geen lex specialis van art. 3:55 BW. Degene die op grond van art. 3:55 BW bevestigd heeft, heeft daarna niet meer de mogelijkheid zich op het gebrek te beroepen. Anderen kunnen dat nog wel. Een besluit is nadat het bevestigd is op grond van art. 3:55 BW niet onaantastbaar. Na bevestiging op grond van art. 2:15 lid 6 BW is dat wel het geval.
Intermezzo In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk heb ik de onderzoeksvragen beantwoord voor de toetsing van besluiten onder art. 2:14 en15 BW. Voor het enquêterecht heb ik die vragen voor de periode tot 1976 behandeld in hoofdstuk 3. In de volgende paragrafen zal ik de onderzoeksvragen behandelen voor het enquêterecht vanaf 1976.