Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.5.2
2.5.5.2 Tot het maatschapsvermogen behorende schulden
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590409:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3:192 BW, waarvan ik de terminologie overneem. Zoals aangegeven in Asser/ Perrick 3-V 2015/72 is deze overigens onzuiver. Vorderingen, niet schulden kunnen worden verhaald (art. 3:276 BW). Vgl. met betrekking tot de nalatenschap art. 4:184 lid 1 BW, dat inhoudelijk met art. 3:192 BW overeenkomt.
Zo nodig kan een deelgenoot vorderen dat gemeenschapsgoederen te gelde worden gemaakt, art. 3:174 BW.
Voor het onderscheid tussen schulden die ‘voor rekening van de gemeenschap komen’ en/ of ‘tot de gemeenschap behoren’, zie ook Van Mourik & Schols 2015, nr. 4.31-4.35; en Asser/Perrick 3-V 2015/11 en 77 e.v.
Maeijer 2000, p. 458.
Art. 7:421 BW, zo nodig jo. art. 7:424 BW. Wessels 2010, nr. 225.
Maeijer 1991a, p. 432. Aldus ook voor de bijzondere gemeenschappen van afdeling 3.7.2 BW: Perrick 1986, p. 19; Asser/Perrick 3-V 2015/ 78.
Aldus al voor de bijzondere gemeenschappen van afdeling 3.7.2 BW: Van der Grinten 1960, p. 123.
Anders: Blanco Fernández in diens JOR-noot onder het Biek-arrest, sub 10, met verwijzing naar art. 3:276 BW.
Perrick 1986, p. 18; Asser/Perrick 3-V 2015/69; Asser/Maeijer 5-V 1995/185; Kolkman 2006, p. 235.
Van Mourik 1993/94, p. 581-582; Van Mourik & Burgerhart 2010, nr. 19; en Van Mourik & Schols 2015, nr. 4.35. Van Mourik verwijst naar art. 3.1.1.11 lid 1 (van het ontwerp-Boek 3 nieuw BW, vervallen in 1983 bij Nota van wijziging), dat luidde: “Goederen, of goederen en schulden, kunnen als algemeenheid van goederen het voorwerp van een rechtsverhouding zijn, indien zij volgens verkeersopvatting, gezien de aard van de rechtsverhouding, bijeen behoren.”
Vgl. het Franse art. 815-17CC, waarover 2.2.2.3.
Van Mourik & Burgerhart 2010, nr. 36 (casus met een maatschap). In nr. 35 staat naar ik aanneem abusievelijk het tegendeel.
Zie 2.4.2.1 en 2.4.6.3.
Zie art. 6:170 BW (ondergeschikte), art. 6:171 BW (opdrachtnemer van bedrijfsmatig handelende opdrachtgever).
Aldus ook Assink | Slagter 2013, § 99.5, p. 2004/2005.
Op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen kunnen de tot het maatschapsvermogen behorende schulden worden verhaald.1 Deze schulden kunnen natuurlijk ook gewoon door een daartoe bevoegde vennoot uit het maatschapsvermogen worden voldaan, zonder verhaalsacties af te wachten.2 Zij die q.q. gerechtigd zijn tot de goederen die tot het maatschapsvermogen behoren, zijn q.q. aansprakelijk voor de tot dat vermogen behorende schulden. Dat de schuld uit hoofde van de beneficiaire aanspraak tot het maatschapsvermogen behoort, is al opgemerkt en blijft hier verder buiten beschouwing. Om welke schulden gaat het verder?
Tot het maatschapsvermogen behoren allereerst de schulden die de gezamenlijke vennoten als zodanig zijn aangegaan. De gezamenlijke vennoten kunnen als zodanig met een derde hebben gecontracteerd. Het kan ook een schuld betreffen die een vennoot op eigen naam, maar (bevoegdelijk) voor rekening van de maatschap is aangegaan.3 Uitgangspunt is dan dat deze schuld niet tot het maatschapsvermogen behoort, want slechts die ene vennoot is schuldenaar.4 Als deze vennoot zijn schuld niet voldoet, kan de schuldeiser zich onder omstandigheden toch rechtstreeks tot de gezamenlijke vennoten richten. Dit volgt uit de wettelijke regels over middellijke vertegenwoordiging.5 Maakt de schuldeiser van dit recht gebruik, dan gaat de schuld alsnog tot het maatschapsvermogen behoren. Voldoet de vennoot de schuld wel, dan heeft hij een regresvordering op de gezamenlijke vennoten. De tegenover de regresvordering staande schuld van de gezamenlijke vennoten behoort dan tot het maatschapsvermogen.6
Het kan voorkomen dat een schuld door de gezamenlijke vennoten als zodanig is aangegaan, zonder dat alle deelgenoten intern draagplichtig zijn. Zo kan een schuld in naam van de maatschap, maar voor rekening van slechts één van de vennoten worden aangegaan. De afspraak over de interne draagplicht staat er dan niet aan in de weg dat de schuld tot het maatschapsvermogen behoort. Dan ‘betreft’ de schuld de vennoten als zodanig wel extern, maar niet intern.7 Omgekeerd zijn er ook schulden die tot de gemeenschap behoren, zonder dat deze op (alle) vennoten persoonlijk verhaald kunnen worden.8 Het bekende voorbeeld is de deelbare schuld die door de vennoten als zodanig is aangegaan en waarvan één van de vennoten het deel waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is, heeft voldaan.9 Een ander voorbeeld is de door de gezamenlijke vennoten als zodanig aangegane schuld waarbij als limited recourse beding is overeengekomen dat de schuldeiser de vennoten niet persoonlijk zal aanspreken. In dit verband noem ik voorts het geval waarin een vennoot als schuldeiser van de gezamenlijke vennoten optreedt. Hij kan bijvoorbeeld goederen aan ‘de maatschap’ hebben verkocht en uit dien hoofde een koopprijs te vorderen hebben. Het kan ook zijn dat een derde verkoper is, met een hoofdelijkheidsbeding, en een vennoot aan die derde een groter deel van de koopsom betaalt dan hem aangaat. Voor het meerdere wordt de vennoot dan in de vordering gesubrogeerd.10 De tegenover de subrogatievordering staande schuld blijft tot het maatschapsvermogen behoren, maar is niet langer verhaalbaar op het privévermogen van de vennoot die door subrogatie de schuldeiser is geworden.
Bij de beoordeling of een schuld tot een maatschapsvermogen behoort, zien Van Mourik en Burgerhart op basis van de wetsgeschiedenis een rol weggelegd voor de verkeersopvattingen.11 Dit spreekt mij aan, omdat zo ruimte wordt gelaten om in enkele grensgevallen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Zo is verdedigbaar dat een schuld die voortvloeit uit het behoud of het beheer van tot het maatschapsvermogen behorende goederen tot het maatschapsvermogen behoort, ongeacht of deze door alle vennoten gezamenlijk is aangegaan.12 Met Van Mourik en Burgerhart meen ik dat dit het geval is, mits de schuldeiser aannemelijk kan maken dat de schuld door de gezamenlijke deelgenoten zelf als een voor rekening van de gemeenschap komende schuld wordt aangemerkt of de schuldeiser er vanuit mocht gaan dat het een tot het maatschapsvermogen behorende schuld betrof.13 Bij dit laatste kan worden gedacht aan het geval waarin de wederpartij een koopovereenkomst sluit met ‘A en B, handelend in maatschap’, en dus met ‘de maatschap’, niet wetende dat intussen de hem onbekende C tot de maatschap is toegetreden. C is dan in beginsel niet partij bij de koopovereenkomst geworden, maar de door A en B aangegane schuld behoort wél tot het maatschapsvermogen.
Onder omstandigheden kan een onrechtmatige daad worden toegerekend aan een maatschap (in de zin van degenen die op een bepaald moment de vennoten zijn). Eerder werd een geval van misleidende reclame als voorbeeld genoemd.14 Toerekening geschiedt dan aan de personen die ten tijde van het plegen van de onrechtmatige daad de vennoten zijn. Het gaat om toerekening aan die gezamenlijke vennoten persoonlijk, met de mogelijkheid van verhaal op het maatschapsvermogen, indien aanwezig. Ook kunnen degenen die vennoot zijn op het moment waarop een medewerker of opdrachtnemer een onrechtmatige daad begaat, risicoaansprakelijkheid dragen voor de uit die onrechtmatige daad voortvloeiende schade.15 Ook in dat geval is de schade op het maatschapsvermogen verhaalbaar.
Ten slotte is van belang om op te merken dat een vennotenwissel de objectieve identiteit van het maatschapsvermogen niet aantast. Schuldeisers van de maatschap in oude samenstelling kunnen zich op de tot dat vermogen behorende goederen blijven verhalen, ook al worden nieuwe vennoten in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk. Schuldeisers van de maatschap in nieuwe samenstelling kunnen zich op diezelfde goederen verhalen, ook voor zover oude vennoten nog q.q. tot een of meer van die goederen gerechtigd zijn.16