Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.3.3.2
6.5.3.3.3.2 Voorzieningen uitsluitend dienstbaar aan de grond met het oog op de bebouwing
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291144:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever heeft met dit bouwterreincriterium willen aansluiten bij de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het bouwrijp maken van grond ex art. 7 lid 3 Wet OB jo (het inmiddels ingetrokken) art. 3, letter b Uitv.besch. OB (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 8). Op grond van die jurisprudentie handelde een publiekrechtelijk lichaam, zoals een gemeente, per definitie als belastingplichtige bij het treffen van voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond (zie bijv. HR 12 maart 1980, nr. 19.239, BNB 1980/128, m.nt. Tuk (Gemeente Loon op Zand)). In zijn arrest van 21 november 1990, nr. 26.362, BNB 1991/19 (Gemeente Sint-Oedenrode-arrest) heeft de Hoge Raad, bij gebrek aan een definitie van het begrip ‘bouwterrein’ in de Wet OB tot 11 juli 1997, de uitleg van het ‘bouwrijp maken van grond’ in de ‘pijler’ van de belastingplicht doorgetrokken naar de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’ met betrekking tot onbebouwde, maar tot bebouwing bestemde grond in de ‘pijler’ van de vrijstelling.
HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 10.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 10.
HR 24 juni 1994, nr. 15.396, BNB 1995/100, m.nt. Finkensieper, r.o. 3.4 (Gemeente Hengelo/Christy Markerink).
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 10.
Een door de leverancier van rioleringsbuizen aangebrachte uitsparing voor een aan te brengen standpijp of uitlegger die (voorlopig) door middel van een plastic dop is afgedicht. Zie: HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.1.
HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.
HR 29 augustus 1997, nr. 32.431, BNB 1997/332, r.o. 3. Met het oordeel dat het voor het ‘bouwrijp maken van grond’ irrelevant is dat handelingen tegen de wil van belastingplichtige zijn verricht beantwoordt de Hoge Raad de vraag die in HR 24 juni 1994, nr. 15.396, BNB 1995/100, m.nt. Finkensieper (Gemeente Hengelo/Christy Markerink-arrest) was blijven liggen.
HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.
Van Zadelhoff, noot bij HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bestemmingsplan, bouwtekeningen, de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, een koopovereenkomst of een akte van levering.
Rb Breda 26 september 2011, nr. AWB 10/2224, V-N 2012/8.25, r.o. 4.3.
HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3.
HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.4.
Ook indien op het tijdstip van levering met het oog op de bebouwing van de grond voorzieningen worden (lees: het treffen van de voorzieningen is op het moment van levering aangevangen, maar nog niet voltooid) of zijn getroffen (lees: het treffen van de voorzieningen is op het moment van levering voltooid) die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond, is in ieder geval sprake van de levering van een bouwterrein. Net als in paragraaf 6.5.3.3.3.1 gaat het hier om de levering van onbebouwde grond die op het moment van levering bouwrijp gemaakt wordt of bouwrijp gemaakt is.1 Hiervan is geen sprake meer indien weliswaar met het oog op de bebouwing voorzieningen zijn getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond, maar die op het tijdstip van levering weer ongedaan gemaakt zijn.2
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het moet gaan om fysieke voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan een bepaald perceel onbebouwde grond, zoals de zij-aansluiting op een hoofdriool (standpijpen en/of uitleggers) of een zij-aansluiting op een hoofdleiding ten behoeve van een centrale antenne, elektriciteit, gas of water.3 Voor het ‘uitsluitend dienstbaar aan-vereiste’ is het niet van belang of de voorziening is aangelegd ‘voor het geval dat’. Het is dus niet vereist dat op het moment dat de voorziening is of wordt getroffen de bebouwing van het perceel zeker is. Voldoende is dat de voorziening is getroffen met het oog op eventuele toekomstige bebouwing.4 De in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden zijn ontleend aan de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo is de aanleg van een hoofdriool met daarop standpijpen tot ruim een meter onder het maaiveld met daarop uitleggers tot circa een halve meter buiten de verharding van de weg waarop het perceel vervolgens is aangesloten, volgens de Hoge Raad een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan de grond.5 Uit dit arrest volgt dat het treffen van één voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan een bepaald perceel grond voldoende is om van bouwrijp gemaakte grond c.q. een bouwterrein te kunnen spreken en tevens dat een dergelijke voorziening buiten dit voor bebouwing bestemde perceel gelegen kan zijn. Een opvatting die in de parlementaire geschiedenis is bevestigd.6 Het aanbrengen van een boveninlaat7 is volgens de Hoge Raad geen voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan een perceel, omdat die slechts de mogelijkheid biedt om een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan een perceel, zoals een standpijp, aan te brengen.8
Ook het aanleggen van een bouwput en het daarin slaan van heipalen leidt tot bouwrijp gemaakte grond. De omstandigheid dat deze handelingen tegen de wil van de eigenaar in opdracht van een voormalige mede-eigenaar zijn verricht, is volgens de Hoge Raad irrelevant.9 Uit dit arrest blijkt niet duidelijk hoe de Hoge Raad het aanleggen van een bouwput en het daarin slaan van heipalen kwalificeert. Hof Amsterdam had in deze zaak geoordeeld dat de bewerkingen zodanig waren dat sprake is van vervaardigde grond. In cassatie spreekt de Hoge Raad echter over ‘getroffen voorzieningen’. Hieruit is naar mijn mening af te leiden dat de Hoge Raad het aanleggen van een bouwput en het daarin slaan van heipalen beschouwt als een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan de grond. Steun voor die opvatting is te vinden in het Gemeente Emmen-arrest. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het aanbrengen van nutsvoorzieningen, die bestaan in de hoofdkabels voor de centrale-antenne-inrichting, PTT-voorzieningen en de hoofdleidingen voor het gas, water en elektriciteitsstelsel, binnen de grenzen van het perceel waarbij een gleuf gegraven wordt, de nutsvoorzieningen worden aangebracht en de gleuf wordt opgevuld met de oorspronkelijke grond geen bewerking is aan de grond, maar wel een voorziening kan zijn die uitsluitend dienstbaar is aan de grond.10 Hieruit kan worden afgeleid dat als de grond na een fysieke ingreep weer in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht geen sprake is van een bewerking van de grond.11 Mogelijk heeft de Hoge Raad om die reden in het hiervoor genoemde arrest het etiket ‘voorzieningen’ geplakt op het aanleggen van een bouwput en het daarin slaan van heipalen.
Voor een ‘zekere’ kwalificatie als bouwterrein is het niet voldoende dat op het moment van levering voorzieningen worden of zijn getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan het onbebouwde terrein, maar moet ook uit objectieve gegevens12 blijken dat er een relatie bestaat tussen deze voorzieningen en de bebouwing van dit terrein. Het is echter niet noodzakelijk dat de voorzieningen uitsluitend met het oogmerk van bebouwing zijn verricht; het volstaat dat de bebouwing van het terrein de doorslaggevende reden is (geweest) voor de getroffen voorzieningen.13 De relatie tussen de voorzieningen en de bebouwing van de grond is er niet meer indien op het moment van levering objectief bepaalbaar is dat het onbebouwde terrein in de voorzienbare toekomst niet kan worden bebouwd.14 Dit geldt evenzeer indien de grond wel mag worden bebouwd, maar niet met de voorgenomen bebouwing en op het tijdstip van levering objectief bepaalbaar is dat de getroffen voorzieningen niet geschikt zijn voor de nieuwe bebouwing. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin hoofdleidingen voor gas zijn gerealiseerd met het oog op de bouw van woningen met een gasaansluiting, terwijl er uiteindelijk gasloze woningen gebouwd moeten worden. Zijn de verrichte voorzieningen wel geschikt voor de nieuwe bebouwing, dan is nog steeds sprake van een bouwterrein.15