Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.3.2.2:3.3.3.2.2 Opwaartse nivellering
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.3.2.2
3.3.3.2.2 Opwaartse nivellering
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS482177:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 16 mei 2000 (Georgiou t. Verenigd Koninkrijk) (ontv.besl.).
§ 1. Zie nadien EHRM 21 juni 2005 (Sträg Datatjänster AB t. Zweden).
EHRM 27 maart 2001 (Kadri t. Frankrijk), FED 2002/215 (m.nt. Feteris). In pt. 5 van zijn noot wijst Feteris erop dat uit de overwegingen van het Hof niet valt af te leiden hoever de behandeling van een zaak moet zijn gevorderd om dit effect te kunnen oproepen.
Feteris 2009, p. 153 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het toepasselijk verklaren van het recht op een behoorlijk strafproces op een aan de belastingplichtige opgelegde geldboete, was eerder aan de orde in de zaak Georgiou.1 Het EHRM verklaart art. 6 EVRM ook van toepassing op de afzonderlijke belastingprocedure, omdat de boete- en belastingprocedure niet van elkaar zijn te scheiden en de uitkomst van deze laatste bepalend was voor de gegrondheid van de aanklacht waarop de boete was gebaseerd.2 Ik wijs hier ook op het arrest in de zaak Kadri. Daaruit volgt dat het recht op berechting binnen redelijke termijn in art. 6 van kracht blijft wanneer de boete in een laat stadium van het geschil wordt ingetrokken en het geschil nog louter de vastgestelde belasting betreft.3
Feteris noemt de gelijkschakeling van de normen voor de heffings- en boeteprocedure de (opwaartse) nivellerende werking van art. 6.4 Deze benadering lijkt in aanmerking te komen, wanneer splitsing niet mogelijk is en het geschil niet hoofdzakelijk de belastingaspecten van de zaak betreft.