Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.3.1
7.3.1 Eisen art. 6 EVRM aan het bewijsrecht
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS353512:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84, § 46 (Schenk v. Switzerland). Vgl. P. van Dijk e.a. 2006, p. 585.
EHRM 18 maart 1997, nr. 21497/93, § 34 (Mantovanelli v. France).
Vgl. o.a. EHRM 7 oktober 2004, nr. 76809/01, § 49 (Baumann v. Austria); EHRM 7 maart 2006, nr. 74644/01, § 30 (Donadze v. Georgia).
Zie o.a. EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88, § 33 (Dombo v. The Netherlands); EHRM 23 juni 1993, nr. 12952/87, § 63 (Ruiz-Mateos v. Spain); EHRM 20 februari 1996, nr. 19075/91, § 33 (Vermeulen v. Belgium); EHRM 25 juni 1997, nr. 20122/92, § 41 (Van Orshoven v. Belgium). Vgl. Kuijer & Sagel 2001, p. 54; P. van Dijk e.a. 2006, p. 581 en 584; Smits, 2008, p. 102.
Logghe 1996/97, p. 282; P. van Dijk e.a. 2006, p. 581-584; Smits 2008, p. 124 en 131.
Zie bijv. EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88, § 33 (Dombo v. The Netherlands); EHRM 23 oktober 1996, nr. 17748/91, § 38 (Ankerl v. Switzerland); EHRM 27 maart 2008, nr. 34499/06, § 19 (Peric v. Croatia); EHRM 5 februari 2009, nr. 22330/05, § 78 (Olujic v. Croatia).
Vgl. Kuijer & Sagel 2001, p. 55; White & Ovey 2010, p. 261; P. van Dijk e.a. 2006, p. 580.
Lindijer 2006, p. 171.
EHRM van 18 april 2012, nr. 20041/10 (Eternit v. France); EHRM 29 mei 1986, nr. 8562/79 (Feldbrugge v. The Netherlands). Zijn deze stukken bij de rechter bekend, dan zal wel sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Vgl. EHRM 18 maart 1997, nr. 21497/93, § 36 (Mantovanelli v. France).
EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88 (Dombo v. The Netherlands).
EHRM 6 mei 1985, nr. 8658/79, § 33-35 (Bönisch v. Austria); EHRM 27 maart 2008, nr. 34499/06, § 17-26 (Peric v. Croatia); EHRM 5 februari 2009, nr. 22330/05, § 78 (Olujic v. Croatia).
EHRM 24 februari 1997, nr. 19983/92, § 53-59 (De Haes and Gijsels v. Belgium).
Smits 2008, p. 132.
Smits 2008, p. 132-133. Vgl. EHRM 27 maart 2008, nr. 34499/06, § 17-26 (Peric v. Croatia).
Smits 2008, p. 134.
EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90, § 59 (The Hurk v. the Netherlands).
Het EVRM kent geen specifieke regels met betrekking tot het bewijsrecht. Zo laat het EHRM het aan de nationale rechter over om de beoordelen of en welke van de aangeboden bewijsmiddelen toelaatbaar zijn. Tevens is het een taak van de nationale rechter om het bewijs te waarderen en te beslissen welk bewijs relevant kan zijn voor de beslissing van de zaak.1 In de zaak Mantovanelli overweegt het EHRM:
'It is for the national courts to assess the evidence they have obtained and the relevance of any evidence that a party wishes to have produced'.2
Dit hangt samen met de zogenoemde 'fourth instancedoctrine'. Het EHRM is geen derde of vierde instantie die de nationale zaak heropent en zelf een beoordeling geeft van de feiten in de zaak.3 De taak van het EHRM onder art. 6 EVRM is beperkt tot een onderzoek of de nationale procedure(s) in overeenstemming is (zijn) met de eisen van een eerlijk proces.
Desalniettemin, heeft het Hof het bewijsrecht op bepaalde punten in verband gebracht met het recht op een 'fair hearing'. Zo houdt dit recht volgens het EHRM onder andere in een recht voor partijen om gehoord te worden en zich uit te laten over alle – al dan niet door de wederpartij – naar voren gebrachte feiten en de in het geding gebrachte bewijsstukken.4 De mogelijkheid tot bewijslevering is verder door het Hof in verband gebracht met het beginsel van 'equality of arms', dat ook deel uitmaakt van het recht op een 'fair hearing' zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM.5 Volgens vaste rechtspraak van het EHRM houdt 'equality of arms' in;
'that each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case – including his evidence – under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.'6
Procespartijen moeten dus een redelijke gelijke kans krijgen om hun zaak voor te leggen aan de rechter en om hun stellingen te bewijzen.7 Geen der partijen mag ten opzichte van de andere partij in een bevoorrechte positie geplaatst worden.8 Wanneer beide partijen in gelijke mate geen gelegenheid hebben gehad stukken over te leggen of te becommentariëren is het beginsel van 'equality of arms' niet geschonden.9 Wel heeft het EHRM schending van het beginsel van 'equality of arms' aangenomen wanneer één der partijen wel en de ander niet als partijgetuige gehoord wordt,10 wanneer één der partijen op willekeurige gronden geen enkele gelegenheid krijgt tot getuigenbewijs of een deskundigenbericht, terwijl de wederpartij wel getuigen of een deskundige mag doen horen,11 alsook wanneer een bepaald bewijsaanbod van een partij wordt afgewezen, waardoor die partij in een substantieel nadeliger positie gebracht wordt ten opzichte van de wederpartij.12 Er geldt echter wel een beoordelingsmarge.13 De rechter hoeft niet al het aangeboden bewijs toe te laten. Zoals gezegd is het aan de nationale overgelaten om te beoordelen of en welke van de aangeboden bewijsmiddelen relevant kunnen zijn voor de beslechting van de zaak. Dit biedt de rechter de mogelijkheid om een overbodig bewijsaanbod, een bewijsaanbod dat betrekking heeft op feiten van algemene bekendheid, of een aanbod van bewijsmiddelen die niet relevant kunnen zijn voor de beslechting van het geschil terzijde te stellen.14 De rechter mag een bewijsaanbod echter niet passeren op grond van een prognose omtrent het te verwachten resultaat van de bewijslevering. Dit is in strijd met het beginsel van gelijkheid der wapenen.15 Er mag niet vooruitgelopen worden op de uitslag van de bewijsvoering.16