Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/13
13 Het inzagerecht en de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS456387:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze zorgverplichting onder meer 1-11( 11 juli 2003, NJ 2005, 103.
Zie bv Rb Amsterdam 19 mei 2005, AT5858.
Zie onder meer de in de vorige noot genoemde uitspraak en verder onder meer Rb Den Haag 19 mei 2005, AY5824 en Rb Amsterdam 10 november 2005, AU6428. AG Timmermans is bij HR 26 juni 2009, BD5516 van mening dat in een door aandeelhouders ingestelde aansprakelijkheidsprocedure tegen bestuurders weliswaar bewijs kan worden vergaard via bijvoorbeeld de exhibitieplicht ex art. 843a Rv, maar dat dit geen reden is om het verzoek van die aandeelhouders om een enquête ex boek 2 BW te houden af te wijzen omdat dit enquêterecht eigen doelstellingen kent die binnen het vennootschapsrecht gelegen zijn.
Het woord 'schade' lijkt dan niet op zijn plaats, een beter woord zou 'verlies' zijn geweest.
Twee door het hof Den Bosch op 16 januari 2006 gewezen arresten, NJF 2006, 191 en 211.
Hof Den Bosch 9 februari 2006, NJF 2006, 223.
HR 29 juni 2007, AZ4663, NI 2007, 638. Het arrest van de Hoge Raad in de andere Bosche zaak is ook gewezen op 29 juni 2007, AZ4664 (niet gepubliceerd in de NI). In een soortgelijke zaak, maar dan met HBU in plaats van Dexia en een andere particulier heeft de Hoge Raad eveneens arrest gewezen op 29 juni 2007, BA3529, NI 2007, 639. De noot van E.J. Dommering is te vinden onder NI 2007, 639 maar heeft betrekking op beide in de NI gepubliceerde arresten. Zie over deze arresten ook P.J.A. de Hert, M. Hildebrandt, S. Gutwirth en R. Saelens, De WBP na de Dexiauitspraken, Privacy & Informatie 2007, p. 147-157.
Hof Den Haag 22 augustus 2006, AY8858, JOR 2006, 293, m.nt. C.W.M. Lieverse. De tegen de beschikking van het hof ingestelde cassatiemiddelen waren zodanig van inhoud dat de Hoge Raad zich op geen enkele manier hoefde te buigen over art. 843a Rv (HR 29 juni 2007, BA3592, NJ 2007, 639).
Simonis en Vermeulen schrijven in `Imagerecht en correctierecht in de Wbp: onbekend maakt onbemind', Tijdschrift ArbeidsrechtPraktijk 2009, p. 219-223 op p. 221 zonder toelichting dat art. 35 Wbp in feite een lex specialis is ten opzichte van art. 843a Rv. Die mening valt in elk geval niet te gronden op HR 29 juni 2007, AZ4663, NJ 2007, 638 waar de Hoge Raad juist overweegt dat art. 843a Rv naar gelang de omstandigheden zowel een ruimer als een beperkter toepassingsgebied kan hebben dan art. 35 Wbp. Zie ook 7.M.A. Berkvens, De beperkingen van het inzagerecht, Tijdschrift voor Financieel Recht 2009, p. 368-376.
IR 29 juni 2007, AZ4663, NI 2007, 638.
Hof Den Bosch 14 oktober 2003, AM7927. Zie ook Rb Utrecht 13 februari 2008, JAR 2008, 83 waar twee vakbonden vorderen dat een werkgever wordt veroordeeld tot verstrekking van een lijst van werknemers en gewezen werknemers. De werkgever stelt onder meer dat die vordering in strijd is met art. 12 Wbp, bepalende dat de bewerker van gegevens verplicht is tot geheimhouding en dat alleen de betrokkene zelf om de gegevens of afgifte kan verzoeken. De rechtbank overweegt dat de vakbonden bevredigend en zichtbaar hebben gesteld dat de voldoende bepaalde en gemotiveerd omschreven gegevens nodig zijn om zowel de uitvoering van de CAO als van een rechterlijk vonnis te kunnen nagaan en dat van onevenredigheid niet is gebleken. Aldus verzet de Wbp zich niet tegen de gevorderde afgifte. Rb Arnhem 22 juli 2009, BJ6230, MB' 2009, 411 oordeelt ook zo waar zij in een geschil waar het gaat om de ledenadministratie van de Intemetvakbond en de wijze waarop de ledenraadpleging heeft plaatsgevonden overweegt dat bij de beoordeling dient te worden meegenomen dat inzage in de gevraagde informatie van groot belang is voor de afloop van de procedure. Het feit dat de desbetreffende informatie eventueel vertrouwelijk is, dient daartegen te worden afgewogen. Het recht op bescherming van persoonsgegevens is immers geen absoluut recht en het enkele gegeven dat potentiële leden terughoudend zouden kunnen worden met het aanmelden als lid omdat hun lidmaatschap anders wellicht bekend wordt aan derden prevaleert dan ook niet zonder meer boven het belang van VIA om gemotiveerd te kunnen stellen en zo nodig te bewijzen dat afspraken met betrekking tot het inschrijven van nieuwe leden en het raadplegen van die leden door de Intemetvakbond zijn geschonden.
Zie verder nog voor specifieke verplichtingen van het bankwezen tot 1 januari 2007 de Wet Toezicht Kredietwezen, de Wet Toezicht effectenverkeer 1995 (art. 11) en art. 25 van het Besluit Toezicht Effectenverkeer (waarover J.F. Garvelink en P.F. Hopman, Verboden te vissen: informatieplicht van banken en de afdwingbaarheid daarvan in Tijdschrift voor effectenrecht 2004, p. 11-15) en vanaf 1 januari 2007 de Wet op het financieel toezicht, Stb. 2006, 475 en de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht, Stb. 2006, 605.
HR 25 november 2005, AU4019, NJ 2009, 550, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2009, 551, JOL 2005, 683.
Zie over het arrest van het hof Amsterdam 24 juni 2004, in deze zaak gewezen, A. Ekker, Pessers/ lycos II, JAVI 2004, p. 178-181. Hij pleit voor het maken van een wettelijke regeling wat de problematiek van de doorbreking van anonimiteit op het internet betreft.
EHRM 4 januari 2007, NJ 2007, 475.
Zie ook HvJEG 29 januari 2008, NJ 2009, 551, m.nt. P.B. Hugenholtz. Het Hof overweegt in overweging 54 dat richtlijn 2002/58 niet uitsluit dat de lidstaten de verplichting opleggen om in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens mee te delen. Zie verder D.M. Buné, De naleving van Europese privacy regels bij grensoverschrijdende civiele procedures, Bb 2009, afl. 11, 25. In het artikel is geen verwijzing te vinden naar het in par. 3.3 besproken voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt ter zake pre-trial discovery.
Hof Den Haag 4 mei 2006, AW8455, NJF 2006, 318.
HR 21 december 2007, BB9133, NJ 2008, 31. In een art. 843a Rv procedure tegen de Staat waarin een slachtoffer van een geweldsdelict gepleegd door een zich vrij bewegende onder TBS-gestelde inzage in het volledige strafdossier vorderde, overweegt Rb Den Haag 9 april 2008, BC9134 dat de Staat geen inzage in stukken mag verschaffen omdat de Wjs zich daartegen verzet en de Wjs bepaalt dat dit soort verzoeken gericht dient te worden tot het College van PG's. Ook zo Rb Den Haag 6 november 2008, NJF 2009, 8 in een zaak waarin een aangeefster van een zedendelict het dossier van de verdachte wenst in te zien nadat zij te horen heeft gekregen dat de verdachte niet zal worden vervolgd.
IR 11 juli 2008, BC8421, NJ 2009, 451, m.nt. E.7. Dommering.
Op 1 september 2001 is de Wet van 6 juli 2000, Stb. 302, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (hierna Wbp) in werking getreden. In hoofdstuk 5 van deze wet wordt in art. 33 en 34 de informatieverstrekking aan de betrokkene geregeld. In hoofdstuk 6 worden in art. 35 tot en met 42 de rechten van de betrokkene om verzoeken te doen omtrent de vraag welke hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt, geregeld.
In het kader van de problematiek omtrent de effectenlease (de Dexia-affaire) is deze wet in beeld gekomen. Samengevat betreft het bij deze problematiek gevallen waarin een consument met Dexia een overeenkomst tot effectenlease sluit en een bijbehorende depotovereenkomst. Door de grillen van de economie kan de consument hierdoor heel rijk worden (de effecten kunnen sterk in waarde stijgen) maar ook heel arm. In 2000 en 2001 stortte de beurs in tengevolge waarvan vele effecten dramatisch in waarde daalden. Vele kleine particuliere beleggers verloren hierdoor aanzienlijke bedragen en gingen op zoek naar verhaal. Eén van de stellingen of uitgangspunten ter realisering van dit verhaal was dat de professionele instelling, Dexia dus, de nodige voorzorgsmaatregelen dient te treffen om te voorkomen dat de kleine particulier verliezen lijdt die hij zich niet kan permitteren.1 Kort gezegd dient een dergelijke instelling een beleggerprofiel te hebben opgesteld.2 Op grond van art. 35 Wbp hebben sommige particulieren aan Dexia gevraagd of zij persoonsgegevens heeft verwerkt en, zo ja, om daarvan een overzicht te geven en om die gegevens te verstrekken waarbij met name werd gevorderd:
een kopie van de overeenkomst;
het risicoprofiel;
de aankoopbewijzen van de aandelen;
de afschriften van de dividenduitkeringen;
de inventarisatie van de kredietwaardigheid van de verzoekende particulier; een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken;
alle overige documenten die op de verzoekende particulier van toepassing zijn.3
Eén van de vele verweren van Dexia was regelmatig dat het geschil tussen partijen mogelijk onderwerp zal worden van een gerechtelijke procedure en dat het op de Wbp gebaseerde verzoek op onaanvaardbare wijze het bepaalde in art. 843a Rv zou doorkruisen. Ik heb geen enkele uitspraak gevonden waarin dit verweer is gehonoreerd. Elk gerecht overweegt terecht min of meer dat uit niets blijkt dat art. 843a Rv een speciesbepaling zou zijn die in de weg staat aan de mogelijkheid om langs andere wegen gegevens te verzoeken.4 Zo overweegt het hof Den Bosch dat de omstandigheid dat een verzoeker de eenmaal verkregen gegevens zal gebruiken in een civiele procedure tegen Dexia, ontoereikend is om misbruik van recht aan te nemen. Eventuele processuele schade die Dexia zou lijden, is in dit verband volgens het hof rechtmatige schade.5 Het hof ziet verder geen omstandigheden die verhinderen dat de procedure ex art. 843a Rv en de procedure ex art. 35 Wbp naast elkaar lopen.6 Nadat het hof verlof heeft verleend om in cassatie te gaan,7 oordeelt de Hoge Raad dat de verantwoordelijke, bij de voldoening aan de door art. 35 lid 2 Wbp op hem gelegde verplichting om aan de betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen, niet kan volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch alle relevante informatie over de betrokkene moet verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen -en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten- gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels.8 Wat de verhouding tot art. 843a Rv betreft overweegt de Hoge Raad dat deze bepaling niet kan worden beschouwd als een ten opzichte van art. 35 Wbp bijzondere bepaling die aan de daarin vermelde verplichting tot het geven van informatie afbreuk kan doen. Art. 843a Rv, aldus de Hoge Raad,
`... voorziet erin dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden, ... aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn voorganger partij is, kan vorderen en kan naar gelang de omstandigheden zowel een ruimer als een beperkter toepassingsgebied hebben dan art. 35 Wbp.9 Aan een op art. 35 Wbp gebaseerd verzoek, waarvoor (...) geen bijzondere redenen behoeven te worden opgegeven, ligt in het algemeen en ook in een geval als het onderhavige waarin moet worden aangenomen dat geen sprake is van misbruik van recht, een rechtmatig belang ten grondslag. Voorts is het door Dexia aangevoerde feit dat verweerder uit de door Dexia verstrekte stukken informatie kan destilleren die voor hem van nut kan zijn in een procedure, onvoldoende om aan te nemen dat op grond van gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a Rv de verstrekking van de door verweerder verzochte informatie achterwege dient te blijven. Niet alleen kent de Wbp in art. 43 eigen uitzonderingsgronden, maar de gewichtige redenen van art. 843a Rv zouden, indien deze bepaling in het onderhavige geval van toepassing zou zijn, aan de verantwoordelijke ook geen mogelijkheid bieden op die grond aan de betrokkene informatie te onthouden, behoudens bijzondere redenen zoals een beroep op vertrouwelijkheid ter bescherming van de rechten of belangen van derden.'
De Hollandsche Bank-Unie voert aan dat zij door inwilliging van het op art. 35 Wbp gebaseerde verzoek wordt geschaad in haar door art. 843a Rv beschermde rechten of vrijheden. Het hof Den Haag verwerpt dit standpunt omdat art. 843a Rv
`... geen rechten of vrijheden ...' verleent ... aan degene die bepaalde bescheiden onder zich heeft, maar ... juist — indien aan bepaalde, met name ter voorkoming van `fishing expeditions' gestelde, voorwaarden is voldaan- een uitzondering ...' vormt ... op de hoofdregel dat iemand onder hem rustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven.10
Aldus staat als een paal boven water dat de feitenrechters en de Hoge Raad van oordeel zijn dat art. 35 Wbp en art. 843a Rv zonder meer naast elkaar kunnen bestaan, waarbij een op het ene artikel gebaseerde vordering niet kan worden beperkt op gronden ontleend aan het andere artikel.11 Hierbij merk ik voor de volledigheid wel op dat art. 35 Wbp geen inzagerecht geeft. Het artikel geeft een verplichting om een volledig overzicht te verstrekken van verwerkte persoonsgegevens in begrijpelijke vorm. Indien er bijvoorbeeld opnames van telefoongesprekken bestaan waarin over koop en verkoop van aandelen en dergelijke is gesproken, kunnen afschriften daarvan op grond van art. 843a Rv worden gevorderd. Het is niet zeker dat dergelijke transactiegesprekken ook persoonsgegevens in de zin van de Wbp bevatten. Mede daarom ben ik het niet eens met de opmerking van Lieverse in zijn noot onder dit arrest dat art. 35 Wbp per saldo meer mogelijkheden biedt dan het bepaalde in art. 843a Rv. Naast elkaar vormen zij een stevig duo. Een onderlinge vergelijking ter beantwoording van de vraag welk artikel meer mogelijkheden biedt, is niet goed mogelijk omdat beide artikelen te ongelijk van aard zijn. Dat lijkt ook de Hoge Raad te vinden waar de Raad op 29 juni 2007 oordeelde dat art. 843a Rv niet kan worden beschouwd als een ten opzichte van art. 35 Wbp bijzondere bepaling, (mede?) omdat art. 843a Rv naar gelang de omstandigheden zowel een ruimer als een beperkter toepassingsgebied kan hebben dan art. 35 Wbp.12
Een botsing tussen de Wbp en art. 843a Rv kan zich ook voordoen indien partij A aan partij B vraagt om persoonsgegevens van werknemers van partij B zodat partij A deze als getuigen kan oproepen. Een dergelijk verzoek is volgens het hof Den Bosch een verzoek tot de verwerking van gegevens als bedoeld in de Wbp.13 Het hof toetst dit verzoek aan art. 8 Wbp en oordeelt vervolgens dat de waarheidsvinding een belang is als genoemd in art. 8 aanhef en sub f Wbp zodat die adresgegevens verstrekt moeten worden, mede omdat het om gegevens gaat die ook zijn opgenomen in het openbaar register van de gemeentelijke basisadministratie.14 Zijdelings is hierbij het arrest Lycos-Pessers van belang.15 In deze zaak is Lycos een `internetgastheer' die toegang geeft tot een website, door een onbekende gemaakt, waarop was vermeld, kort gezegd, dat Pessers een fraudeur was. Pessers, geen overeenkomst hebbend met Lycos, vordert van Lycos de naam van de websitehouder. Rechtbank en Hof wijzen de vordering toe en de Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen. Toewijzing van een dergelijke vordering komt niet in strijd met de Richtlijn inzake elektronische handel, PbEG L 178 noch, gelet op de belangenafweging zoals vermeld in art. 8 sub f Wet bescherming persoonsgegevens, maakt zij inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de anonieme websitehouder.16
Zie overigens over de Europese regelgeving omtrent 'Data Protection' ook de uitspraak van het EHRM van 4 januari 2007.17 Klager, een directeur-grootaandeelhouder in Engeland, had geld geleend van een bank. De bank vorderde op enig moment terugbetaling waartegen de klager zich verweerde. Volgens hem kon de juistheid van zijn verweer mede blijken uit documenten die de bank in bezit zou moeten hebben en hij vorderde inzage daarin. Dit werd geweigerd, waarna de klager van mening was dat het nationale recht in Engeland hem onvoldoende rechten bood. Het Hof overweegt in het kader van art. 8 EVRM (het recht op respect voor het privé leven):
It was presumably his desire to obtain substantiation of these terms with a possible view to further legal proceedings that motivated his application for access to the data held by the bank, in other words, an oblique application for discovery of documentary evidence. This is therefore not a case where the applicant seeks access to files holding information about his identity or personal history, ....18
Art. 843a Rv kan verder samenlopen met de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna Wjs) en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV). In de hiervoor in par. 7.4 genoemde zaak van ICS tegen de Staat speelt zich het volgende af. In de Verenigde Staten loopt een procedure tussen Citibank en ICS, omdat ICS weigert een aantal betalingen, door een derde gedaan met behulp van een creditcard van ICS ten laste van een Citibankrekening, met Citibank te verrekenen. Het betreft allemaal betalingen van die derde aan het in Rotterdam gevestigde bedrijf Ocean waarbij Ocean verhandelbare contracten voor de levering op termijn van wijn verkocht. In het kader van een aangifte tegen Ocean waarin wordt gesteld dat Ocean strafbare feiten zou hebben gepleegd, wordt een doorzoeking verricht en wordt de administratie van Ocean in beslag genomen. ICS is van mening dat zij delen van die administratie nodig heeft in de procedure in de Verenigde Staten tussen haar en Citibank en zij vordert afgifte van kopieën van bepaalde administratieve bescheiden. De Staat verzet zich daartegen omdat die, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen stukken, te beschouwen zijn als strafvorderlijke gegevens in de zin van art. 1 aanhef en sub b Wjs.
Het hof Den Haag stelt voorop dat de Staat niet verplicht kan worden om op voet van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjs niet mag verstrekken.19 Strafrechtelijke verboden gaan dus voor civielrechtelijke rechten. Het hof is vervolgens van oordeel dat het begrip 'gegevens over een natuurlijke of rechtspersoon' ruim moet worden opgevat. Dit begrip betreft aldus niet alleen persoonsgegevens in enge zin, maar ook gegevens die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Nu de administratie van Ocean kan strekken tot bewijs van de aan Ocean ten laste te leggen strafbare feiten, valt die administratie onder dit begrip. Aldus moet het verzoek van ICS worden getoetst aan de artikelen in de Wjs die het verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan derden regelen. Het verzoek kan in beginsel worden toegewezen op grond van art. 39f, lid 2 sub a Wjs. Hierin is namelijk vermeld dat aan een derde die strafvorderlijke gegevens verstrekt kunnen worden die noodzakelijk zijn met het oog op de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte. De vraag of die gegevens verstrekt moeten worden, dient beantwoord te worden door het College van procureurs-generaal. Het hof is vervolgens van oordeel dat dit College in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de gegevens niet te verstrekken omdat het belang op de verstrekking niet opweegt tegen de daardoor veroorzaakte schending van de privacy.
Aldus oordeelt het hof dat de Wjs een specialis is, die voorrang heeft op art. 843a Rv. In zijn algemeenheid is het oordeel dat de Wjs vóór het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gaat, juist. Ik ben het niet eens met de overweging omtrent de privacy. Gelet op de jurisprudentie tot heden zou een verzoek van ICS gericht tegen Ocean, inhoudende inzage kansrijk zijn. Ik zie daarom niet waarom die zelfde gegevens, die toevallig onder berusting van een derde zijn, op grond van de privacy niet zouden mogen worden afgegeven. Met andere woorden, het College mag bij haar beslissing rekening houden met de privacy maar zal, indien zij het verzoek hieraan toetst, ook moeten bezien of in een civiele zaak tussen de partij die de gegevens verzoekt en de partij die de gegevens onder zich heeft (of had, totdat zij strafvorderlijk in beslag werden genomen), afgifte zou plaatsvinden. Indien die afgifte zou plaatsvinden, kan enkel de privacy door het College niet als argument worden gebruikt om het verzoek af te wijzen. ICS is in cassatie gegaan van dit oordeel, maar heeft in de cassatiemiddelen niet bestreden het oordeel van het hof dat de Staat niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjs niet mag verstrekken. Kort gezegd wordt alleen de belangenafweging van het hof in de cassatiemiddelen bestreden. Die afweging laat de Hoge Raad in stand.20 Het arrest van de Hoge Raad heeft geen betekenis voor de uitleg van art. 843a Rv.
Enkele journalisten van De Telegraaf hebben op enig moment van een voor anderen dan hen anonieme bron staatsgeheime informatie in de vorm van documenten ontvangen. Zij worden vervolgens object van onderzoek door de BVD/AND. De Telegraaf vordert in kort geding vernietiging van de onderzoeksgegevens van de BVD/AND. De Wet op de inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (WIV) regelt in met name art. 15 en 85 de absolute verplichting tot geheimhouding en kent in art. 35 tot en met 57 een gesloten en uiterst restrictief verstrekkingenregiem dat inhoudt dat alleen in de daar specifiek genoemde gevallen gegevens en inlichtingen kunnen worden verstrekt. Op grond van de WIV is wel een commissie in het leven geroepen, die toezicht houdt op de rechtmatigheid en toegang heeft tot alle informatie. Bij beweerdelijk onrechtmatig gebruik geldt een speciale klachtenprocedure. De Hoge Raad stelt vast dat de WIV niet uitsluit dat bepaalde inlichtingen en stukken toch aan de rechter en de wederpartij in een civiele procedure worden verschaft. Niet iedere weigering is dus bij voorbaat gerechtvaardigd.
Het hof had in deze zaak de vordering tot vernietiging van door de BVD/AND verkregen informatie afgewezen. De Hoge Raad laat deze afwijzing in stand omdat het hof niet verantwoord kon beoordelen welke gegevens zouden behoren te worden verwijderd. Deze afwijzing, aldus de Hoge Raad, sluit niet uit dat nadat de hiervoor genoemde commissie dezelfde vraag heeft beantwoord, De Telegraaf opnieuw bij de burgerlijke rechter een bevel tot vernietiging kan vorderen.21 Een soort 'afgifte tot vernietigingsverzoek' is dus rechtens mogelijk.