Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.1
3.1 Inleiding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648920:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:403 lid 1 sub f vermeldt dat de consoliderende rechtspersoon dient te verklaren dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk dient te stellen. Dat lijkt mij een slip of the pen van de wetgever. De consoliderende rechtspersoon dient zich aansprakelijk te verklaren. Het aansprakelijk stellen van de consoliderende rechtspersoon zal geschieden door schuldeisers die bij de consoliderende rechtspersoon verhaal komen halen.
Zie in dit kader ook Van Zoest 2015 en Ten Voorde 2011, p. 195-199.
Enige nuances zijn daarop te maken. Toepassing van artikel 2:403 BW levert bijvoorbeeld complicaties op in het geval waarin een effecten uitgevende instelling moet worden vrijgesteld. Er treedt een discrepantie op tussen hoofdstuk 5.1a Wft en artikel 2:403 BW. Ik ga hier verder niet op in, maar verwijs graag naar Dayioglu & Havers 2009, p. 127.
Het recht op vrijstelling kan niet met terugwerkende kracht worden verkregen.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.5.1 t/m par. 2.5.5.
Zie ook Houwen e.a. 1993, p. 815 en Beckman 1990-II, p. 308.
Van Schilfgaarde 1970, p. 17 en Houwen 1993, p. 815.
De 403-verklaring is een eenzijdige verklaring van de consoliderende rechtspersoon waarin de consoliderende rechtspersoon zich hoofdelijk aansprakelijk dient te verklaren voor de schulden van de vrijgestelde rechtspersoon.1 Niet zelden wordt de vraag gesteld of het een goed idee is om een 403-verklaring te deponeren. Bedoeld wordt dan of het een goed idee is om gebruik te maken van de groepsvrijstelling. Er is zodanig veel aandacht voor de aansprakelijkheidsverklaring van artikel 2:403 lid 1 sub f BW, dat de overige voorwaarden van artikel 2:403 BW bijna zouden worden vergeten.2
De 403-verklaring, de intrekking daarvan en de uit de 403-verklaring voortvloeiende (overblijvende) aansprakelijkheid zijn onderwerpen van de vrijstellingsregeling die de meeste hoofdbrekens opleveren. De 403-verklaring mag zich dan ook verheugen op veel belangstelling in de literatuur en de rechtspraak. Een twijfelachtige eer.
Aangezien er zoveel aandacht is voor de 403-verklaring, bestaat het gevaar dat de overige voorwaarden van artikel 2:403 BW uit het oog worden verloren. Toch is het voldoen aan deze voorwaarden even relevant. Pas wanneer aan alle voorwaarden van artikel 2:403 BW wordt voldaan, ontstaat het recht om de vrijstelling te mogen toepassen.3 De voorwaarden worden ook wel aangeduid als ‘constitutioneel’ voor het ontstaan van het recht om de vrijstelling te mogen toepassen.4 Wanneer niet aan alle vereisten van artikel 2:403 BW wordt voldaan en de vrijstelling (ten onrechte) wordt toegepast dan wordt niet voldaan aan de jaarrekeningenplicht met alle gevolgen van dien.5
De toepassing van de vrijstelling van artikel 2:403 BW is facultatief. Er bestaat voor geen enkele rechtspersoon, groep of concern een verplichting om de faciliteit van artikel 2:403 BW toe te passen.6 Toch wordt aan de regeling een semi-vrijwillig karakter toegedicht. Betoogd wordt dat het publiceren van een volledig jaarverslag voor elke afzonderlijke rechtspersoon die onderdeel uitmaakt van een concern dusdanig bezwaarlijk kan zijn dat van een vrijwillige keuze om de groepsvrijstelling toe te passen geen sprake is.7
De groepsvrijstelling is opgenomen in artikel 2:403 BW. Het huidige artikel 2:403 BW luidt als volgt:
Artikel 2:403 BW
Een tot een groep behorende rechtspersoon behoeft de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van deze titel in te richten, mits:
de balans in elk geval vermeldt de som van de vaste activa, de som van de vlottende activa, en het bedrag van het eigen vermogen, van de voorzieningen en van de schulden, en de winst- en verliesrekening in elk geval vermeldt het resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening en het saldo der overige baten en lasten, een en ander na belastingen;
de leden of aandeelhouders na de aanvang van het boekjaar en voor de vaststelling van de jaarrekening schriftelijk hebben verklaard met afwijking van de voorschriften in te stemmen;
de financiële gegevens van de rechtspersoon door een andere rechtspersoon of vennootschap zijn geconsolideerd in een geconsolideerde jaarrekening waarop krachtens het toepasselijke recht de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen, richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/ EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) of een der beide richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen dan wel van verzekeringsondernemingen van toepassing is;
de geconsolideerde jaarrekening, voor zover niet gesteld of vertaald in het Nederlands, is gesteld of vertaald in het Frans, Duits of Engels;
de accountantsverklaring en het bestuursverslag, zijn gesteld of vertaald in de zelfde taal als de geconsolideerde jaarrekening;
de onder c bedoelde rechtspersoon of vennootschap schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden; en
de verklaringen, bedoeld in de onderdelen b en f zijn neergelegd ten kantore van het handelsregister alsmede, telkens binnen zes maanden na de balansdatum of binnen een maand na een geoorloofde latere openbaarmaking, de stukken of vertalingen, genoemd in de onderdelen d en e.
Zijn in de groep of het groepsdeel waarvan de gegevens in de geconsolideerde jaarrekening zijn opgenomen, de in lid 1 onder f bedoelde rechtspersoon of vennootschap en een andere nevengeschikt, dan is lid 1 slechts van toepassing, indien ook deze andere rechtspersoon of vennootschap een verklaring van aansprakelijkstelling heeft afgelegd; in dat geval zijn lid 1 onder g en artikel 404 van overeenkomstige toepassing.
Voor een rechtspersoon waarop lid 1 van toepassing is, gelden de artikelen 391 tot en met 394 niet.
Dit artikel is niet van toepassing op rechtspersonen als bedoeld in artikel 398 lid 7.