Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.5.1:3.5.1 Algemeen
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.5.1
3.5.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706243:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin wat betreft instemmingsrechten Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/426; Schoonbrood & Klein Bronsvoort 2017, p. 806; Willemars 2013, p. 427; Huizink 2014, p. 9-10.
HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415, r.o. 3.5.1 (Immum’Âge/Neo-River).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
106. Behalve het stemrecht en de certificaathoudersrechten kan een aandeelhouder ook andere zeggenschapsrechten hebben. Ten eerste heeft een aandeelhouder van een bv in bepaalde gevallen zogenoemde instemmingsrechten. Voor de werking van een besluit tegenover hem is dan vereist dat hij instemt met dat besluit. Zo is voor de werking van een nieuwe statutaire verplichting tegenover een aandeelhouder vereist dat deze instemt met die verplichting (art. 2:192 lid 1 BW). Voor de besluitvorming buiten vergadering en voor een afwijkende winstverdeling geldt hetzelfde. Daarvoor is steeds de instemming van de aandeelhouder vereist (art. 2:216 lid 8 en 238 lid 1 BW). Het instemmingsrecht van de aandeelhouder moet worden onderscheiden van het instemmingsrecht van een pandhouder. In specifieke gevallen heeft een pandhouder namelijk een eigen instemmingsrecht, dat bestaat naast het instemmingsrecht van de pandgever. Het gaat bijvoorbeeld om het geval dat een statutaire regeling waarbij aan een pandhouder vergaderrecht is toegekend, wordt gewijzigd. Zo’n wijziging kan hem niet tegen zijn zin in worden tegengeworpen (art. 2:227 lid 4 BW). Daarnaast verkrijgt een pandhouder soms indirect instemmingsrechten, namelijk wanneer hij certificaathoudersrechten krijgt. In dat geval is een pandhouder vergadergerechtigd en is zijn instemming bijvoorbeeld vereist voor besluitvorming buiten vergadering (art. 2:238 lid 1 BW).
Een tweede voorbeeld van andere zeggenschapsrechten van een aandeelhouder dan stemrecht en certificaathoudersrechten zijn de rechten die in beginsel niet, maar onder omstandigheden wél, aan hem toekomen. Een voorbeeld is het recht om een vergadering bijeen te roepen. Artikel 2:109/219 BW bepaalt dat daartoe in beginsel slechts het bestuur of de raad van commissarissen is bevoegd. In de statuten kan daarvan echter worden afgeweken zodat de bevoegdheid ook aan een aandeelhouder kan worden verleend.
107. Mijns inziens gaan de zeggenschapsrechten van een aandeelhouder die niet door de wet aan de pandhouder zijn toebedeeld, door de verpanding van aandelen in beginsel niet op de pandhouder over, ook niet als het stemrecht op hem overgaat.1 Dat volgt mijns inziens uit het stelsel van de wet. Bijvoorbeeld gaat het stemrecht, een vergelijkbaar recht, niet zomaar op hem over (art. 2:89/198 lid 2 BW). En wat betreft certificaathoudersrechten is er geen sprake van overgang, maar van toebedeling aan de pandhouder. De pandgever behoudt in beginsel zijn zeggenschapsrechten. Verder past het bij de gevolgen van de verpanding van vorderingen. De Hoge Raad heeft daarover in de zaak Immum’Âge/Neo-River geoordeeld dat door de vestiging van een beperkt recht op een vordering de aan die vordering verbonden schuldeisersbevoegdheden niet zonder meer overgaan op de beperkt gerechtigde. Of en in hoeverre dit het geval is, hangt volgens de Hoge Raad af van de wettelijke regeling van het desbetreffende beperkte recht.2 In het berechte geval hield dat in dat het recht om afstand te doen van de vordering niet op de pandhouder was overgegaan. Voor aandeelhoudersbevoegdheden geldt mijns inziens hetzelfde. Naast deze argumenten geldt ten aanzien van rechten die statutair aan de pandgever zijn verleend op basis van de mogelijkheid die de wet daartoe geeft, bovendien dat de overgang van zo’n recht aan een pandhouder moeilijk denkbaar is, nu de wet in die gevallen een statutaire basis eist. Of de pandhouder zo’n statutair recht toekomt naast de pandgever, is mijns inziens een kwestie van uitleg van de statuten. Maar wanneer het niet blijkt uit de tekst van de statuten, ligt dat mijns inziens niet voor de hand (§3.5.2).