Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.3.3
6.3.3 Regelingen ‘betrekking hebbende’ op in de onderneming werkzame personen
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687295:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk SER-advies van 15 mei 1992, Knelpunten Wet op de ondernemingsraden, nummer 1992/07, p. 69: ‘Hieruit volgt dat de OR uit hoofde van de artikelen 27 en 28 geen bevoegdheden en taken heeft ten aanzien van die personen die anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam zijn in diens onderneming’. Personen die niet meer werkzaam zijn bij de ondernemer vallen er dan al helemaal buiten. Vergelijk ook de conclusie van A-G Koopmans bij HR 30 december 1994, NJ 1995/448 (Loois en Olst/Stichting Weerwerk): ‘Daar komt bij dat de dubbele maatstaf – werk in de onderneming, en arbeidsovereenkomst met de ondernemer – een bewuste keus van de wetgever moet zijn geweest (…) Wanneer nu voor de medezeggenschap via ondernemingsraden niet voor één van deze maatstaven wordt gekozen, maar voor een cumulatie van beide, moet daar de wens achter gezeten hebben het toepassingsgebied van de wet beperkt te houden. Dat is een keus waar men vraagtekens bij kan zetten, maar het is die van de wetgever’.
Ook Bod stelt dat het treffen van een pensioenregeling voor personen ná het einde van hun dienstbetrekking niet instemmingsplichtig is, aangezien deze personen niet in de onderneming werkzaam zijn: Th.L.J. Bod, Pensioen en privaatrecht, Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1979, p. 33. Een aanvullende pensioentoezegging aan ex-werknemers was mogelijk onder de PSW, aldus HR 14 maart 2014, PJ 2014/61 (nabestaande/verweerders). Overigens opperdere de D66-fractie in de Tweede Kamer in aanloop naar de herziening van de WOR in 1979 nog om bij de instemmingsgronden een restgrond op te nemen voor alle overige onderwerpen van sociaal beleid, wat echter werd afgeraden door de wetgever (Kamerstukken II 1977/78, 13954, nr. 109, p. 29 en nr. 110, p. 26-27). Aan dit standpunt is ook later vastgehouden (Kamerstukken II 1995/96, 24615, nr. 3, p. 11).
M. Heemskerk, Ondernemingsraad en pensioen, Amsterdam: VU Expertisecentrum Pensioenrecht 2010, p. 139, acht de uitsterfconstructie ook instemmingsplichtig. Uitgebreider over het uitsterfscenario in het algemeen S.F.H. Jellinghaus, Harmonisatie van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder na fusie of overname, Deventer: Kluwer 2003, p. 37-38.
In voorgaand voorbeeld werd uitgegaan van een instemmingsplichtig besluit omdat het voorgenomen besluit gevolgen heeft voor in de onderneming werkzame personen. Het is evenwel goed denkbaar dat het voorgenomen besluit alleen gevolgen heeft voor ex-werknemers. Is er dan nog sprake van een instemmingsplichtig besluit? Zoals hiervoor al aan de orde kwam bij het taakbegrenzingsprobleem, zou ik een ruime opvatting willen bepleiten en genegen zijn deze vraag positief te beantwoorden, aangezien het besluit indirect betrekking heeft op de werknemer. Immers, wanneer de werknemer uit dienst gaat (althans met pensioen) en ex-werknemer wordt, zal hij geconfronteerd worden met deze gewijzigde regeling.
Anders ligt het als een regeling wordt gewijzigd die ook indirect geen betrekking heeft op de werknemer, namelijk daar waar de werknemer ook bij uitdiensttreding er niet mee wordt geconfronteerd. In dat geval is er naar mijn mening geen instemmingsverplichting1 en ontbreekt de medezeggenschap dus geheel.2 Dat neemt niet weg dat sommige ondernemers er desondanks voor kiezen dit soort besluiten toch ter instemming voor te leggen aan hun OR. In dat geval is wellicht de problematiek van de taakbegrenzing niet aan de orde, maar duidelijk wel die van de legitimiteit en uiteenlopende belangen.
Noemenswaardig in dit verband is ook dat in de literatuur is betoogd dat in de spiegelbeeldige situatie, namelijk een besluit met gevolgen voor louter toekomstige werknemers, er wel een instemmingsrecht is.3 De redenering van deze auteurs is dat als het begrip ‘betrekking hebbende’ niet op die manier zou worden opgerekt, bijvoorbeeld het instemmingsrecht voor regelingen op het gebied van het aanstellingsbeleid zinledig zou worden. Ook zou er anders geen instemmingsrecht zijn voor wijzigingen van arbeidsvoorwaarden die worden doorgevoerd door middel van een uitsterfconstructie, dat wil zeggen dat zij alleen gelden voor toekomstige werknemers.4 Bovendien zou redelijke wetstoepassing van artikel 27 WOR zich meer in het algemeen moeten uitstrekken tot personen die in verband met de aard van de regeling in bepaalde mate afhankelijk zijn van de onderneming. De parallel van deze redenering met de ex-werknemer gaat naar mijn mening echter niet op. Toekomstige werknemers worden immers werknemers binnen de onderneming, maar het omgekeerde geldt niet: ex-werknemers worden (een enkele uitzondering daargelaten) niet opnieuw werknemer binnen de onderneming. Verder laat de WOR geen ruimte om de reikwijdte op te rekken tot allen die afhankelijk zijn van de onderneming.