Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.2.1
9.3.2.1 Wettelijke omschrijving
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604164:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1997 houdende regels omtrent hetgeen wordt verstaan onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet.
L.A. Bource, ‘De directeur-grootaandeelhouder uit de loonbelasting, een dooie mus?’, WFR 2007, p. 603.
In art. 6 lid 6 Wet LB 1964 wordt ten aanzien van de inhoudingsplicht voor de dga aangeknoopt bij de Ziektewet (ZW), en meer in het bijzonder bij de ‘Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder’.1 Op basis hiervan wordt als ‘dga’ aangemerkt:
a. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;
b. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;
c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; en
d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.’
Dit is het tweede dga-begrip in de loonbelasting.2 Het in paragraaf 9.3.1 geanalyseerde begrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 blijft immers ongewijzigd. Voorts bevat art. 19b lid 2 Wet LB 1964 nog een derde definitie van de ‘dga’, terwijl art. 29 lid 4 Uitv.reg. LB 1965 zelfs een vierde, afzonderlijke omschrijving kent.