Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.7.1
VI.7.1 Redelijk en voldoende belang
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178817:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Als echter de rechtspersoon krachtens bestuursbesluit de vernietiging vordert (art. 2:15 lid 3 onder b BW), zal hij daarin steeds – behoudens de eis van een voldoende belang – worden ontvangen. Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/317.
Maeijer, in zijn noot onder HR 31 mei 1996, NJ 1996/694 (Lampe/Videoworks).
HR 19 mei 1989, NJ 1989/652, m.nt. Maeijer (Lucas Academie), rov. 3.1 en HR 28 februari 1992, NJ 1992/458, m.nt. Maeijer (Buma), rov. 3.3. Zie ook Klein Wassink 2012, p. 72-74.
HR 31 mei 1996, NJ 1996/694, m.nt. Maeijer (Lampe/Videoworks), rov. 3.4.
Zo ook Klein Wassink 2012, p. 74.
Zie Bleeker 2018, p. 139-142, die dit meer uitwerkt.
Zie hierover uitvoerig § 8.
Zo ook Oosterhoff 2017, p. 182.
Vgl. Timmerman 1991, p. 89.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 915 (TM). De eiser hoeft alleen na een daartoe strekkend verweer van zijn wederpartij een voldoende belang aan te tonen. Dit geldt m.i. evenzo als de eiser vordert voor recht te verklaren dat een besluit nietig is. Dan staat hem immers geen andere, concretere vordering ten dienste die zijn doel kan verwezenlijken. Vgl. Groeneveld-Tijssens 2015, p. 216 en GS Vermogensrecht/ Jongbloed 2018, art. 3:303 BW, aant. 6.
Zie GS Vermogensrecht/Jongbloed 2018, art. 3:303 BW, aant. 2.
Zometeen, in § 7.2, betoog ik naar wenselijk recht anders.
Zie § II.5, waar ik betoog dat dit inderdaad besluiten (moeten) zijn.
Wie kan de (on)geldigheid van een besluit aan de rechter voorleggen? Bij de vordering tot vaststelling van de nietigheid van een besluit volstaat een voldoende belang in de zin van art. 3:326 jo. 3:303 BW. Wie de vernietiging van een besluit verlangt, moet echter volgens art. 2:15 lid 3 onder a BW een ‘redelijk belang [hebben] bij de nalevering van de verplichting die niet is nagekomen’.1 Strikt genomen staat ook bij de vernietiging de eis van een voldoende belang hier nog naast, maar de Hoge Raad vat het redelijk belang zodanig op dat van een losse eis van voldoende belang niets overblijft. Art. 2:15 lid 3 onder a BW absorbeert art. 3:303 BW.2 Onder de eis van een redelijk belang schaart de Hoge Raad dat de eiser met de vernietiging van het besluit een wijziging in zijn juridische positie moet kunnen bereiken. De eiser heeft geen belang bij de vernietiging wanneer daardoor niet de achterliggende rechtshandeling van tafel gaat, zo luiden de arresten Lucas Academie en Buma.3 In Lampe/Videoworks voegt de Hoge Raad nog de eis toe dat de eiser ‘in een eigen belang is of dreigt te worden geschaad’.4
Hierin zou ik de Hoge Raad niet willen volgen.5 Een voldoende belang is wat anders dan een redelijk belang. Art. 3:303 BW gebiedt de rechter na te gaan, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, ‘niet alleen (…) of de eiser enig belang bij de vordering heeft, maar ook, of dit belang voldoende is om een procedure te rechtvaardigen’.6 De vraag die de rechter moet beantwoorden is deze: kan de eiser met zijn vordering iets bereiken dat hem in een betere positie brengt?7 Zonder processueel belang, geen actie. Daarentegen eist art. 2:15 lid 3 onder a BW een redelijk belang, specifiek voor de vordering tot vernietiging van een besluit. De eiser moet een belang hebben bij naleving van de door het gewraakte besluit geschonden regel. De parlementaire geschiedenis geeft het voorbeeld van een bij besluit ontslagen werknemer: het vereiste van een redelijk belang staat eraan in de weg dat hij vernietiging van het ontslagbesluit vordert wegens een ‘futiele informaliteit’ bij de bijeenroeping van de vergadering.8 In wezen gaat het dus om een relativiteitsvereiste: strekt de bepaling die met het nemen van het besluit is geschonden, tot bescherming van de eiser?9 Het gaat er bij het redelijk belang dus niet om dat de eiser een specifiek en concreet nadeel heeft geleden, maar om de vraag of hij binnen de kring valt van personen die worden beschermd door de regel die met het nemen van het besluit is veronachtzaamd.10
Het onderscheid tussen het redelijke en het voldoende belang doet ertoe, reeds omdat het gaat om twee eisen met een verschillende inhoud. Maar er zijn meer verschillen. Ten eerste moet de eiser zijn redelijk belang stellen en bij betwisting aannemelijk maken, terwijl van het voldoende belang wordt uitgegaan.11 Ten tweede toetst de rechter het redelijk belang indringender dan het voldoende belang. Het voldoende belang strekt er nochtans toe slechts zinloze, kansloze, futiele of puur immateriële vorderingen te ontzeggen, met als doel de wederpartij en het gerechtelijke apparaat niet onnodig te belasten.12 Een terughoudende maatstaf dus. Ten derde weegt bij het redelijk belang de hoedanigheid van de eiser mee, al brengt de kwaliteit van bijvoorbeeld aandeelhouder, lid of bestuurder naar geldend recht niet mee dat een redelijk belang zonder meer aanwezig is.13 Bij het voldoende belang daarentegen speelt de persoon van de eiser geen of een geringe rol; centraal staat wat de ingestelde vordering vermag te bereiken.
Belangrijker nog is dat onderscheiden tussen redelijk en voldoende belang meer ruimte laat om een vordering tot vernietiging van een intern, voorbereidend of negatief besluit te toetsen. Intern is een besluit als de rechtsgevolgen zich binnen de rechtspersoon manifesteren, zoals bij de vaststelling van de jaarrekening of het wijzigen van de statuten. Voorbereidend is een besluit als het voorafgaat aan een rechtshandeling naar buiten, zoals het besluit om een machine te kopen. Negatief is een besluit om iets niet te doen.14 In deze situaties zal het redelijk belang als regel aanwezig zijn, wanneer een betrokkene van binnen de rechtspersoon (een lid of aandeelhouder) de vernietiging van zo’n besluit vordert. Diegene heeft er immers belang bij dat het interne of voorbereidende besluit regelmatig is genomen en ook inhoudelijk aan alle eisen voldoet. Hij heeft belang bij de naleving van de regel. Dat zijn vordering hem persoonlijk niet in een andere positie brengt, of dat de vernietiging van het besluit voor de geldigheid van de opvolgende rechtshandeling geen verschil maakt, weegt slechts mee in het voldoende belang. Het voldoende belang wordt – zoals zo-even opgemerkt – aangenomen en alleen terughoudend getoetst, zodat het alleen ontbreekt als aan vernietiging elke redelijke zin ontbreekt. Ik zou zeggen dat eiser zelfs een voldoende belang heeft bij de enkele vaststelling dat de besluitvorming niet volgens de regels is verlopen, die immers aanleiding kan zijn voor nieuwe besluitvorming of voor maatregelen tegen degenen (het bestuur) die die regels niet hebben nageleefd. Voldoende is het belang om te weten welke besluiten rechtsgeldig genomen zijn en dus binnen de rechtspersoon binden. Wel kan de rechter (onder andere) de vordering ontzeggen als die bedoeld is als pesterij dan wel beoogt de rechtspersoon of anderen nadeel toe te brengen. Toegegeven, het hier verdedigde is meer wenselijk dan geldend recht. Maar het geldend recht moet worden begrepen zoals hier verdedigd.