Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.4:3.3.4 Wanneer wordt totstandkomingsvertrouwen rechtens relevant?
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.4
3.3.4 Wanneer wordt totstandkomingsvertrouwen rechtens relevant?
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS305456:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 juni 1995, NJ 1995, 705 (Shell/Van Esta Tjallingii).
Vznr. Rb. Haarlem 25 mei 2005, NJF 2005, 277.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wordt in het arrest Vogelaar/Skil het stadium waarin onderhandelingen niet meer eenzijdig mogen worden afgebroken door de Hoge Raad nader afgebakend, daarmee is nog geen antwoord gegeven op de vraag wanneer het hiervoor bedoelde rechtens relevante vertrouwen geacht moet worden te hebben postgevat. Omtrent deze vraag kreeg de Hoge Raad de gelegenheid zich uit te spreken in het arrest Shell/Van Esta Tjallingii.1
In de zaak die onderwerp vormde van dit arrest was sprake van onderhandelingen tussen Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. ("Shell") en M.W.G. Schaap ("Schaap") omtrent de voortgezette huur door Shell van alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit een door de Staat aan Schaap verleende publiek- en privaatrechtelijke vergunning om op een door de Staat aan te wijzen terrein te Muiden een benzinestation op te richten en te exploiteren.
De huurovereenkomst was aanvankelijk aangegaan voor een periode van 20 jaar, eindigende op 18 juli 1983. Shell had het recht verkregen om die overeenkomst met 10 jaren te verlengen, waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt. De huurovereenkomst eindigde derhalve in 1993. In 1990 onderhandelden partijen met elkaar over de voortzetting van de litigieuze overeenkomst na 19 juli 1993. Bij brieven van 23 oktober 1990 had Shell de afspraken vastgelegd die naar haar mening tussen partijen in hun bespreking van 27 september 1990 waren gemaakt. Hoewel Shell daarom meer malen had verzocht, had Schaap die brieven nimmer voor akkoord willen ondertekenen. Omstreeks maart of april 1991 had Shell een door de toenmalige raadsman van Schaap vervaardigde conceptovereenkomst omtrent de voortzetting van de huur ontvangen. Shell had daarop bij brief van 23 april 1991 gereageerd. In die brief waren een groot aantal voorstellen tot wijziging vervat. De raadsman van Schaap had op die brief gereageerd bij brief van 20 juni 1991. Daarin werd een aantal voorstellen van Shell afgewezen, een deel aanvaard en werden tevens nieuwe voorstellen tot wijziging van de desbetreffende conceptovereenkomst gedaan. Op 12 juli 1991 vond vervolgens een bespreking plaats tussen Schaap en Shell, waarin Schaap te kennen gaf dat zij geen verdere onderhandelingen meer wenste met Shell. Op 24 september 1991 sloot Schaap met Mobil Oil een overeenkomst met betrekking tot de verhuur en exploitatie van het op dat moment nog door Shell geëxploiteerde tankstation.
In eerste aanleg had Schaap onder meer ontruiming van het tankstation gevorderd bij de kantonrechter. In reconventie vorderde Shell primair van Schaap nakoming van de volgens Shell tot stand gekomen nieuwe overeenkomst met ingang van 19 juli 1993, zoals vastgelegd in de door Shell aan Schaap gezonden brieven van 23 oktober 1990, en subsidiair veroordeling van Schaap om verder te onderhandelen over de nog onopgeloste geschilpunten in de onderhandelingsrelatie, die Schaap volgens Shell onrechtmatig heeft afgebroken. Daarnaast vorderde Shell schadevergoeding van Schaap. Dit laatste primair wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door Schaap van haar verplichtingen onder de overeenkomst en, subsidiair, wegens het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen.
Vast stond dat partijen in elk geval nog van mening verschilden omtrent de ingangsdatum van de (jaarlijkse) verhoging van de huurprijs en de inspraak van Schaap met betrekking tot de exploitant van het litigieuze tankstation en diens opvolger.
De kantonrechter wees zowel de vorderingen in conventie als in reconventie af. In hoger beroep worden de vorderingen in conventie (deels) toegewezen en werd het vonnis van de kantonrechter in reconventie bekrachtigd. De rechtbank overwoog in reconventie dat gelet op de aldus beschreven gang van zaken niet kon worden gezegd dat reeds een stadium in de onderhandelingen was bereikt waarin Shell er vanuit mocht gaan dat in elk geval enig contract zou worden gesloten. Derhalve was, aldus de rechtbank, aan de zijde van Schaap evenmin een verplichting ontstaan tot vergoeding van vertragingsschade, zoals Shell die vorderde. Wel was volgens de rechtbank op het moment dat de onderhandelingen stuk liepen een situatie bereikt waarin Schaap, mede gezien de langdurige contractuele relatie, deze niet mocht afbreken zonder Shell vergoeding aan te bieden voor de inmiddels door haar met medeweten van Schaap met het oog op de voorgenomen modernisering van het tankstation gemaakte kosten van ontwerpen en vergunningen. Doordat Shell een vergoeding van die kosten echter niet had gevorderd, konden deze door de rechtbank ook niet worden toegewezen.
Vast stond dat tussen partijen in elk geval wel overeenstemming was bereikt over een nieuwe huurperiode na 18 juli 1993 voor de duur van 10 jaar met 5 optiejaren en tegen een vaste jaarlijkse vergoeding van f 830 000 met een nog nader overeen te komen index. Over (de ingangsdatum van) de voormelde index waren partijen het echter niet eens geworden en evenmin hadden partijen overeenstemming bereikt over de wens van Schaap om inspraak te hebben met betrekking tot de persoon van de exploitant van het tankstation en diens opvolger.
In cassatie werd van de zijde van Shell betoogd dat, voor zover de rechtbank terecht had aangenomen dat er op grond van de aard en omvang van de punten waarover nog geen overeenstemming was bereikt, nog geen overeenkomst moet worden aangenomen, dan toch in elk geval door de rechtbank had moeten worden aangenomen dat voor mevrouw Van Esta (de rechtsopvolgster van Schaap) de verplichting bestond om bonafide met Shell verder te onderhandelen en dus, tenminste, om Shell in de gelegenheid te stellen tot nader overleg over de nog overblijvende punten van verschil én in dit overleg een redelijke, constructieve en voldoende cooperatieve houding in te nemen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en sanctioneerde daarmee het oordeel van de rechtbank, waarbij de rechtbank er vanuit ging dat:
onder de gegeven omstandigheden niet kon worden gezegd dat de wel reeds bereikte punten van overeenstemming een overeenkomst opleverden, die nog slechts op ondergeschikte punten — eventueel aan de hand van de goede trouw — aanvulling behoefde en waarvan dus nakoming kon worden verlangd;
het stadium waarin de onderhandelingen hadden moeten verkeren om de vorderingen van Shell toewijsbaar te achten, aldus volgt impliciet uit de overwegingen van de rechtbank, nog niet was ingetreden wanneer partijen het op hoofdpunten eens zijn en hen nog slechts ondergeschikte punten verdeeld hielden.
Het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kon worden dat de punten die partijen nog verdeeld hielden, ondergeschikte punten betroffen, gaf volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Interessant is nog de in cassatie aan de zijde van Shell naar voren gebrachte klacht die erop neer komt dat de rechtbank haar beslissing ten onrechte heeft gegrond op het oordeel dat de punten waarover partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt, hoewel mogelijk in geobjectiveerde zin van verhoudingsgewijs gering belang, in de subjectieve beleving van Schaap wel aanzienlijk waren. Daarmee wordt de vraag aan de orde gesteld of de subjectieve beleving van een contractspartij, voor zover bij de wederpartij bekend, van belang geacht moet worden bij de vaststelling of er sprake is van een (romp)overeenkomst. De Hoge Raad verwerpt deze klacht evenwel omdat zij feitelijke grondslag mist. Toch is de door het middel opgeworpen vraag m.i. wel van grote relevantie.
Vast staat dat er in elk geval voldoende vertrouwen dient te zijn in het feit dat partijen er — kort gezegd — "wel uit gaan komen" op basis van, in beginsel, de reeds tussen partijen bereikte overeenstemming omtrent de punten die zij in elk geval beoogd hebben te willen regelen in het kader van de rechtsverhouding die hun voor ogen stond, waarbij die overeenstemming dan al zover moet zijn bereikt dat partijen heel dicht aan liggen tegen de contractuele fase. Of, zoals de Vznr. Rb. Haarlem het m.i. passend formuleerde:
"Van een in beginsel gerechtvaardigd te achten totstandkomingsvertrouwen kan pas worden gesproken indien het overleg tenminste heeft geresulteerd in een mate van consensus die het stadium naderde waarin reeds op grondslag van de bereikte overeenstemming contractuele gebondenheid kan worden aangenomen".2
Maar: waarover dient dan tenminste consensus te zijn bereikt en wat is nu de verhouding tussen de persoonlijke perceptie van een onderhandelende partij omtrent het welslagen van de onderhandelingen en de objectieve toets waaraan voldaan moet zijn om dit vertrouwen ook rechtens relevant te maken?