Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.4
6.4 Verbintenissenrecht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390665:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Ginossar 1960, p. 121, Planiol & Ripert/Picard III, nr. 42 en Terré & Simler 2014, nr. 47 en 48.
Zie Basnage, p. 308 en 309, Pothier, nr. 10 en Bourjon, Livre VI, titre VI, chap. I, nr. I in zijn commentaar op art. 107 van de Coutume de Paris dat inhield dat geen hypotheekrecht gevestigd kon worden dan bij authentieke akte.
Zie over de legale hypotheekhouders hierboven, p. 97.
Zie Pothier, p. 463. Overigens gold ten aanzien van schuldeisers zonder authentieke akte dat zij schuldeisers met een zakelijk recht voor moesten laten gaan en onderling gelijke rang innamen.
De wettekst is ontleend aan art. 8 van de Belgische hypotheekwet, dat overeenkomt met het art. 2093 (oud) Cc.
Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 273, Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 1, Cabrillac 1991, p. 31 en Larroumet & Bros 2016, nr. 752.
Zie Planiol & Ripert/Picard III, nr. 42, die spreekt van een soort tussencategorie.
Hoewel vanwege de translatieve werking van verbintenissen een scherp onderscheid tussen het verbintenissenrecht en het zakenrecht in de Code civil ontbreekt – het gehele verbintenissenrecht is immers ondergebracht in het boek dat handelt over de wijze van eigendomsverkrijging – houdt het Franse recht weldegelijk vast aan het verschil tussen een droit réel en een droit personnel.1 Dit verschil komt onder meer tot uitdrukking bij schuldeisers met en zonder een zakelijk recht. Zo nemen schuldeisers die ter verzekering van de voldoening van hun vordering een zakelijk zekerheidsrecht hebben verkregen een preferente positie in ten opzichte van onverzekerde schuldeisers. Een zakelijk werkt bovendien absoluut en hieraan komt zaaksgevolg toe.
Onder het droit commun francais was – zoals hierboven is opgemerkt – de rechtspraktijk ontstaan dat vrijwel iedere schuldeiser, mits aan een bepaald vormvereiste was voldaan, een recht van generale hypotheek had.2 Notarissen namen in de akte als standaardvoorwaarde een beding van generale hypotheek op. Indien het in die situatie tot een executie kwam, werd de opbrengst uitgekeerd aan de verschillende schuldeisers naar de volgorde van hypotheekneming, hetgeen in feite erop neerkwam dat de anciënniteit van de vordering de rangorde bepaalde. Alleen schuldeisers die hun zekerheidsrecht en daarmee tevens hun rang ontleenden aan de wet, maakten hierop een uitzondering.3 Conventionele hypotheeknemers – dat waren dus alle schuldeisers die ten bewijze van hun vordering een authentieke akte hadden – verhielden zich tot elkaar conform de prioriteitsregel.4
De doorgevoerde beginselen van publiciteit en specialiteit hebben ertoe geleid dat het hypotheekrecht is voorbehouden aan schuldeisers die aan alle vestigingsformaliteiten hebben voldaan. Verzekerde en onverzekerde schuldeisers zijn duidelijk van elkaar gescheiden. Schuldeisers zonder zakelijk recht staan onder het huidige recht aan elkaar gelijk. Hun vorderingen worden op grond van art. 2285 Cc naar evenredigheid voldaan:
‘De goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan.’5
Het Franse recht hanteert dus het beginsel van gelijkheid van schuldeisers.6 Als uitzondering op dit beginsel worden alleen de wettige redenen van voorrang toegelaten, te weten voorrechten en hypotheken. Voor goederenrechtelijke aspecten is in de verhouding tussen onverzekerde schuldeisers geen plaats.
Voorts kent de Code civil ook verbintenissen met zakenrechtelijke trekken.7 Deze rechten laten zich moeilijk systematiseren omdat zij doorgaans slechts bescherming aan een bepaalde schuldenaar beogen te bieden door zijn verbintenisrechtelijke aanspraak te versterken. Ik volsta daarom met het bij wijze van voorbeeld noemen van het recht van de huurder van een onroerende zaak. Ondanks het feit dat een huurder immers slechts in verbintenisrechtelijke verhouding tot de verhuurder staat en geen zakenrechtelijke rechten aan de onroerende zaak kan ontlenen, kan hij zijn recht na een verkoop van de verhuurde zaak op grond van art. 1743 Cc toch aan de opvolgende eigenaar tegenwerpen. Het in dit artikel tot uitdrukking gebrachte adagium ‘koop breekt geen huur ’ kent zakelijke werking toe aan het persoonlijke recht van de huurder van een onroerende zaak.