Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/3.3.3
3.3.3 Kansen en risico’s van samenwerkingen
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975651:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Delden 2009, p. 36-45.
Deze theorie vloeit voort uit het werk van de econoom Ronald Coase. Zie Coase 1988. De theorie is onder meer beschreven door Zuidgeest 2008, p. 22-23.
Deze component van de transactiekostentheorie, waarbij de verhouding tussen twee of meer ondernemers centraal staat, is uitgewerkt door Williamson 1985.
Zie Van Doesum 2009, p. 48 alwaar hij treffend opmerkt dat samenwerkingsverbanden in die visie bestaan bij gratie van een imperfecte markt.
Van Delden 2009, p. 39. Zie voor kritiek Gulati 1998, p. 303-304 en zijn literatuurverwijzingen.
Van Doesum 2009, p. 49.
Boekema & Kamann 1989, p. 59 en Koster 2016, p. 12-13.
Van Delden 2009, p. 40.
Van Delden 2009, p. 45.
Van Delden 2009, p. 42.
Van Delden 2009, p. 42-44.
Zie ook Pouwels & Koster 2017 die verwijzen naar literatuur waarin de verschillende theorieën uitgebreid worden besproken.
Pouwels & Koster 2017.
Provan & Milward 2001, p. 416.
Het succes of falen van een bepaalde samenwerking wordt beïnvloed door diverse factoren. Van Delden heeft in zijn dissertatie vijf verklaringen gegeven voor het verloop en de resultaten van samenwerking van non-profitorganisaties.1 De eerste verklaring betreft de situatie waarin samenwerking wordt gestimuleerd door omstandigheden in de omgeving of binnen de deelnemende organisaties zelf. Deze omstandigheden kunnen zowel een wettelijk als een economisch karakter hebben. Samenwerking kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om de kosten van een opgelegde wettelijke verplichting te drukken of om tot een door opdrachtgevers gewenste combinatie van leveranciers te komen. Dit komt met name voor bij organisaties die complementair zijn en dus over verschillende middelen en kennis beschikken. Een tweede invalshoek heeft betrekking op de opbrengsten van samenwerking voor de deelnemende organisaties. Het accent ligt hierbij op de belangen, de beschikbaarheid van middelen en de uitwisseling daarvan. In de economische wetenschap staat dit bekend als de transactiekostentheorie.2 Deze theorie gaat ervan uit dat ruilen op markten gepaard kan gaan met transactiekosten. Deze kosten kunnen zo hoog zijn, dat het voordelig is om een bepaalde transactie niet op de markt tot stand te brengen, maar de desbetreffende activiteit binnen de onderneming te ontplooien. Uit de literatuur komt naar voren dat de transactiekostentheorie een verklaring kan zijn voor samenwerking.3 De gedachte hierbij is dat samenwerking transactiekosten reduceert. De ondernemers zijn immers minder geld kwijt aan het telkens sluiten van contracten.4 Aan de andere kant brengt samenwerking ook juist weer risico’s en kosten met zich. Veel onderzoekers nemen dan ook afstand van de benadering van samenwerking vanuit de transactiekostentheorie omdat deze theorie te weinig rekening houdt met de sociale processen daarachter.5 Zo is het denkbaar dat kennis die in het kader van de samenwerking is verstrekt, door de ander voor eigen doeleinden wordt gebruikt.6 Dit wordt aangeduid als de ‘samenwerkingsparadox’. Hoewel aan de ene kant participanten elkaar nodig hebben om meerwaarde te creëren, spelen aan de andere kant zelfstandige rationele actoren die proberen hun nut te maximaliseren en te voorkomen dat alleen de ander voordeel van de samenwerking heeft.7
De derde benadering die Van Delden beschrijft is het organisatiesociologische type. Hierbij wordt nagegaan welke activiteiten worden gedeeld, welke structuren worden gekozen en in hoeverre zij leiden tot succes van het netwerk of de alliantie.8 Dit betreft derhalve de meer formele aspecten die aan een samenwerking kleven. Uit onderzoek blijkt dat een formele structuur een belangrijke bijdrage levert aan de coördinatie van een groter aantal partners, de externe acceptatie en de stabilisatie van het netwerk rondom de samenwerking.9
De vierde benadering is politiek-bestuurlijk. De invalshoek wordt hier gevormd door het besluitvormingsproces tussen deelnemers met zowel gezamenlijke als verschillende belangen. Van Delden stelt vast dat de literatuur op dit terrein vooral conceptueel en minder empirisch is. Doorgaans gaat het over beleidsnetwerken en interactieve besluitvorming tussen organisaties, waarbij de relatie met het resultaat van de samenwerking in de uitvoering onduidelijk is.10 Sturingsmodellen in dit kader moeten in een passende relatie staan met de aard en de omvang van de problematiek en de gekozen samenwerkingsvorm.
De vijfde en laatste verklaring die Van Delden noemt is organisatiepsychologisch of procesmatige dimensie van samenwerking. Deze dimensie richt zich op gedragspatronen, interacties en de veranderingen in de verhoudingen tussen de deelnemers en van het samenwerkingsverband zelf.11 Te denken hierbij valt aan het verschil in cultuur van organisaties die vaak hun wortels vinden in historische gegroeide tegenstellingen.
De verklaringen die Van Delden noemt zijn gebaseerd op verschillende theorieën die ieder inzoomen op verschillende aspecten van samenwerking.12 Hoewel uit deze theorieën volgt dat samenwerking mogelijk is en hier voordelen aan zijn verbonden, brengen ze tegelijkertijd ook de nadelen van samenwerking aan het licht. Zo kunnen deelnemers vanwege de wederzijdse afhankelijkheid die centraal staat in een samenwerking, moeite ondervinden in het behoud van controle op de activiteiten die binnen de samenwerking worden verricht. Dit probleem zal zich met name voordoen wanneer de deelnemers niet gelijkwaardig zijn qua grootte of hun inbreng in de samenwerking van elkaar verschilt. Dit zorgt voor een lagere flexibiliteit op het niveau van de deelnemers.13 Een nadeel waarmee deelnemers in een samenwerkingsverband verder nog te maken kunnen krijgen is het risico op opportunistisch gedrag van de andere deelnemer(s). Dit gedrag kan ertoe leiden dat een deelnemer in een bepaalde samenwerking zich opstelt als free rider. Kenmerk van een free rider is dat deze wel de voordelen van de samenwerking aanvaardt, maar weigert zijn aandeel in de kosten (volledig) te voldoen. Om dergelijk gedrag te voorkomen komt veel belang toe aan het zorgvuldig op papier zetten hoe de baten en kosten van de samenwerking onderling tussen de deelnemers worden verdeeld. Hierbij dient ook te worden gekeken naar de gevolgen bij een eventueel exit-scenario op het moment dat de samenwerking om bepaalde redenen wordt beëindigd. Provan & Milward merken op dat samenwerking leidt tot een verlies aan autonomie en tot substantiële problemen kan geven wat betreft het uitwisselen van middelen en kennis, omgaan met conflicterende belangen en verschillen in regulering/wetgeving.14 Het is aan de non-profitorganisaties om de verschillende voordelen en nadelen van een samenwerking tegen elkaar af te wegen.