Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.3.1
3.3.1 'Distributie bepaalt attributie'; art. 10 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439131:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 22-24 (MvT). A.V.M. Struycken, 'Distributie bepaalt attributie — Vuistregel en kern van een goed hanteerbaar rechtsmodel', /V/PR-Speciale aflevering 1996, p. 19, noemt deze benadering van de wetgever 'ingrijpend' en 'verrassend'.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 43 (MvT).
A.V.M. Struycken, /V/PR-Speciale aflevering 1996, p. 19.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 27 juni 2002, IVIPR 2003, 118; Vzngr. Rb. Amsterdam 25 juli 2002, IVIPR 2002, 270; Hof Amsterdam 11 december 2003, IVIPR 2004, 133.
Wel valt op dat de aanknopingsfactoren voor de rechtsmacht en de interne relatieve competentie in veel gevallen met elkaar overeenkomen. Zie bijv. art. 2/art. 99 lid 1 (dagvaardingszaken), art. 3 sub a-b/art. 262 sub a-b (verzoekschriftzaken), art. 6 sub b/art. 100 (arbeidsgeschillen), art. 6 sub d/art. 101 (consumentengeschillen), art. 6 sub e/art. 102 (onrechtmatige daad) en art. 6 sub g/art. 104 lid 1, art. 268 (nalatenschap). Is daarmee, in ieder geval voorzover het de genoemde artikelen betreft, het systeem van 'distributie bepaalt attributie' indirect toch niet in stand gehouden?
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 43 (MvT).
Hendrikse & Jongbloed (2005), p. 38.
In de nieuwe regeling is gebroken met de oude ongeschreven regel dat de Nederlandse rechter bij gebreke van een wettelijke rechtsmachtbepaling, in commune gevallen zijn rechtsmacht kon baseren op een regel inzake de relatieve competentie (`distributie bepaalt attributie' ). De commune rechtsmacht wordt niet langer afhankelijk gemaakt van de regels voor relatieve competentie. De wetgever is van oordeel dat deze door de Hoge Raad ontwikkelde methode 'verouderd en achterhaald' is. Immers, de regel is ontwikkeld in een tijd 'waarin de rechtsmacht nog geen frequent probleem was en daarvoor dan ook geen wettelijke bepalingen bestonden', zodat de rechter wel noodgedwongen aansluiting moest zoeken bij de regels van relatieve competentie. De regel is achterhaald, omdat zij 'volgens moderne inzichten logica ontbeert'. Voor het bepalen van de rechtsmacht behoeven niet dezelfde gezichtspunten te gelden als voor het bepalen van de interne relatieve competentie.1 Het systeem is puur uit nood geboren en bleef zo lang intact omdat de wetgever achterwege had gelaten om de rechtsmacht wettelijk te regelen. Met ingang van 1 januari 2002 is dit systeem verlaten. Een algehele ontkoppeling van de bepalingen van relatieve competentie heeft echter niet plaatsgevonden. In art. 10 Rv blijft de regel namelijk als 'vangnet' gehandhaafd, om te voorkomen dat er gevallen zijn waarin aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, terwijl er aanknopingspunten zijn die rechtsmacht wel gewenst maken.2Distributie bepaalt attributie' is van hoofdregel gedegradeerd tot 'stoplap' 3
Art. 10 Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in het geval van art. 767 Rv (forum arresti),4 'alsmede indien dit voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter dan die vervat in de tweede afdeling van de tweede titel en de tweede afdeling van de derde titel'. Dit laatste betekent dat de rechtsmacht niet meer mag worden gebaseerd op de algemene regels inzake de relatieve competentie, zoals te vinden in art. 99-109 Rv voor dagvaardingsprocedures en art. 262-269 Rv voor verzoekschriftprocedures.5 Waar art. 109 Rv in dagvaardingsprocedures de rechter van de woonplaats van de eiser of, bij gebreke daarvan, de rechter te ' s-Gravenhage relatief bevoegd verklaart, kan deze bepaling geen rechtsmacht scheppen. Het forum actoris van art. 126 lid 3 Rv oud is als grondslag voor de internationale bevoegdheid dus als zodanig komen te vervallen. Evenmin kan rechtsmacht worden gebaseerd op art. 269 Rv, waarin de rechter te ' s-Gravenhage in verzoekschriftprocedures relatief bevoegd wordt verklaard indien de overige bepalingen van relatieve competentie geen territoriaal bevoegde rechter aanwijzen. Wel kan rechtsmacht worden gebaseerd op in en buiten Rv voorkomende specifieke bepalingen van relatieve competentie. Deze specifieke bepalingen behouden dan een dubbele dat wil zeggen distribuerende en rechtsmachtscheppende — functie, voorzover uit de bepaling zelf niet voortvloeit dat zij alleen betrekking heeft op de interne relatieve competentie.6 Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld art. 629 Rv (geschillen bij internationaal zeevervoer),7art. 642a Rv (verzoek beperking redersaansprakelijkheid) en aan andere in Boek 3, Titel 1 Rv8 en Boek 8 BW genoemde bevoegdheidsbepalingen inzake verkeersmiddelen en vervoer. Verder valt te denken aan art. 985 Rv (rechterlijk verlof tot tenuitvoerlegging) en art. 2 lid 4 Fw voorzover de EGInsolventieverordening niet van toepassing is.
Of het verlaten van 'distributie bepaalt attributie' als algemeen uitgangspunt tot gevolg heeft dat de Nederlandse rechter in commune gevallen minder snel bevoegd zal zijn, valt nog te bezien. Weliswaar kan het forum actoris van art. 126 lid 3 Rv oud niet langer als basis voor de rechtsmacht worden gebruikt, maar dat neemt niet weg dat bepalingen zoals art. 6 sub a, art. 6a en art. 9 sub b en sub c Rv in hun uitwerking eenforum actoris kunnen opleveren. Sommigen menen dat het relativeren van de regel 'distributie bepaalt attributie' tot gevolg heeft dat in de toekomst minder vaak Nederlands recht zal worden toegepast.9 Deze gevolgtrekking is onjuist, omdat het miskent dat rechtsmacht en toepasselijk recht in beginsel strikt gescheiden dienen te worden. Dat de rechtspraktijk soms nog moeite heeft met het vervallen van 'distributie bepaalt attributie' is niet verwonderlijk wanneer men zich realiseert dat de regel lang als uitgangspunt heeft gegolden in het Nederlandse commune recht. Zie in dit verband bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 11 juni 2003, NIPR 2004, 45 en Rb. Breda, Sec. Kanton 26 januari 2005, NIPR 2005, 149, waarin de rechtsmacht ter zake van een arbeidsgeschil gebaseerd lijkt te worden op de relatieve competentiebepaling van art. 99 Rv.10