Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.3.6
IX.3.6 Eigen schuld en de schadebeperkingsplicht
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178868:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Roo 2018, p. 3-5, en de aldaar in nt. 6 aangehaalde literatuur.
HR 5 december 2014, NJ 2016/159, m.nt. Lindenbergh (Michielse/gemeente Reusel-De Mierden), rov. 3.8.2. Zie Bloembergen 1965, p. 402, Asser/Sieburgh 6-II 2017/126 en GS Schadevergoeding/Boonekamp 2018, art. 6:101, aant. 5.5.2.
Bloembergen 1965, p. 403, Keirse 2003, p. 121-125 en zie de in GS Schadevergoeding/Boonekamp 2018, art. 6:101 BW, aant. 5.5.3 vermelde rechtspraak.
De rechter past eigen schuld niet ambtshalve toe. Zie GS Schadevergoeding/ Boonekamp 2018, art. 6:101 BW, aant. 5.12 en de daar aangehaalde rechtspraak.
Veelbelovender lijkt de eigen schuld. Wie door een besluit wordt benadeeld, heeft een schadebeperkingsplicht die reeds uit het leerstuk van eigen schuld (art. 6:101 BW) voortvloeit. Diegene moet de schade beperken door tijdig bij de rechtspersoon zijn beklag te doen over het besluit. De zo-even besproken Chipshol-protestplicht geldt hier evenzo. Onverwijld protesteren is aangewezen, opdat de rechtspersoon maatregelen kan treffen die de schade binnen de perken houden. Verder dan dat gaat de schadebeperkingsplicht redelijkerwijs niet, omdat het aan de rechtspersoon is ervoor te zorgen dat de besluitvorming naar de regelen der kunst plaatsvindt. Het is aan de rechtspersoon, niet aan de benadeelde, ervoor te waken dat geen aantastbare besluiten worden genomen. Het is ook aan de rechtspersoon om, als zo’n besluit dan toch is genomen, zelf de vernietiging daarvan te vorderen (zie art. 2:15 lid 3 onder b BW). Onrechtmatige besluitvorming valt immers de rechtspersoon aan te rekenen,1 terwijl het bestuur van die rechtspersoon de plicht heeft om de wet, de statuten en de overige regels met betrekking tot besluitvorming na te leven.2 Meer in het algemeen neemt art. 6:101 BW niet weg dat de aansprakelijkheid van de dader – hier: de rechtspersoon – vooropstaat, die tenslotte als eerste de plicht had de benadeelde niet in een positie te brengen waarin hij schade zou lijden.3 Als zowel dader als benadeelde de schade kunnen beperken, behoort de dader die mogelijkheid te nemen.4 Daarom strekt de schadebeperkingsplicht niet zover, dat de benadeelde gehouden is een procedure te starten teneinde het besluit te doen vernietigen of om de werking daarvan te schorsen. Onverwijld protesteren moet volstaan. Verzuimt de benadeelde dat, dan laat de rechter (een deel van) zijn schade voor eigen rekening indien althans de gedaagde rechtspersoon een daartoe strekkend verweer heeft gevoerd.5
Al met al levert de schadebeperkingsplicht bevredigender uitkomsten op dan die van de brute formele rechtskracht. Het ligt meer voor de hand om waar gepast het recht op schadevergoeding enigszins te minderen dan om dat recht botweg te ontzeggen waar geen vernietiging is gevorderd. Dat laatste levert onnodige procedeerdwang op en bindt de vordering uit onrechtmatige daad feitelijk aan de korte vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW, die daarvoor niet is bedoeld. Grote winsten – in termen van bijvoorbeeld rechtszekerheid – zijn ermee intussen niet te behalen. Voor formele rechtskracht is dus geen plaats.