Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.6:6.5.6 Residuele bevoegdheid; art. 14 Vo-BIIbis
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.6
6.5.6 Residuele bevoegdheid; art. 14 Vo-BIIbis
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431774:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De beslissing van de rechter van een lidstaat die volgens art. 14 Vo-Iffibis rechtsmacht heeft gebaseerd op zijn commune bevoegdheidsrecht, is een beslissing in de zin van art. 2 lid 4 Vo-Iffibis en valt dus onder de regels van erkenning en tenuitvoerlegging van de verordening (Practice Guide, p. 18).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 14 van de verordening geeft een regeling voor de residuele bevoegdheid in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Het artikel bepaalt dat indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van art. 8-13 Vo-BILIbis bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst wordt door de wetgeving van die lidstaat. Voor Nederland geldt dat, alvorens gebruik kan worden gemaakt van de commune rechtsmachtregeling in art. 1-14 Rv, beoordeeld moet worden of het HKbV 1961 (en in de toekomst het HKbV 1996) voor toepassing in aanmerking komt. Het HKbV 1961 is van toepassing op alle minderjarige kinderen die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat hebben waarvoor het verdrag geldt, niet zijnde een lidstaat waarvoor de verordening geldt. Is het HKbV 1961 niet van toepassing, dan kan de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht eventueel nog baseren op art. 4, 5 of 9 sub b Rv.1