Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/5.2.3.0
5.2.3.0 Introductie
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717437:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W. Roosegaarde Bisschop & D. Te Winkel, Praeadviezen over de trustee en het burgerlijk recht, ‘s-Gravenhage: F.J. Belinfante voorh. A.D. Schinkel 1927.
E.M. Meijers, ‘De Trustee en het Burgerlijk Recht, WPNR 1927/2998, p. 414; R.P. Cleveringa e.a. (red.), Verzamelde privaatrechtelijke opstellen. Derde Deel, Verbintenissenrecht (Meijers-Bundel), Leiden: Universitaire Pers Leiden 1955, p. 183-184.
Zie tevens G.L. Gretton, Trusts without Equity’, International and Comparative Law Quarterly 2000/49, p. 601, voetnoot 13, die de provocerende woorden en de toonzetting van Meijers bekritiseert. Hij schrijft: “(…) The father of modern Dutch law, E M Meijers, wrote that “het Engelsche zakenrecht is en zijn constucties (sic) en ook in vele zijner regenlinen, eenige eeuewn (sic) bij die van het Europeesche vasteland ten achter” (quoted by H F W D Fischer at 1957, Tydskrif vir hedendaagse Romeins- Hollandse Reg 25 at 35-36). This remark is so undiplomatic that it is better left untranslated. It is also less than fair, but passages such as that quoted in the text enable one to understand why Meijers descended to invective.”
Zie in casu o.a.: E.M. Meijers, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek. Toelichting. ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf, 1954/1955, p. 212; E.M. Meijers, De algemene begrippen van het burgerlijk recht. Leiden: Universitaire Pers Leiden, 1948, p. 89-90 en p. 282-286; C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, p. 318, die naar de opvatting van Meijers verwijst.
Het debat omtrent de wenselijkheid van en de behoefte aan een Nederlandse trustwetgeving is – zoals volgt uit het bovenstaande – al jarenlang gaande. Bij de bespreking van de Anglo-Amerikaanse trust in de Nederlandse rechtsliteratuur en de parlementaire geschiedenis zijn mijns inziens, vanwege het complexe taalgebruik in het Anglo-Amerikaanse (trust)recht en de woordelijke vertaling hiervan door continentale juristen, een aantal misvattingen ontstaan die niet altijd hebben bijgedragen aan een beter begrip van de trustfiguur. E.M. Meijers, de geestelijke vader van het Nieuw Burgerlijk Wetboek en één van de meest prominente Nederlandse rechtsgeleerden uit de 20e eeuw, had al in 1927 een uitgesproken mening over de Anglo-Amerikaanse trust bij de bespreking van de preadviezen over de trustee en het burgerlijk recht van Te Winkel en Roosegaarde Bisschop.1 Hij betoogt:
“Bij de vraag of het wenschelijk is de Engelsche constructie der trustverhouding ook in ons recht in te voeren, treft ons een merkwaardig verschijnsel. (…)
(…) Tegenover deze groote vereering van Engelsche rechtsbeschouwingen, voel ik mij verplicht mijn overtuiging te stellen, al weet ik, dat mijn oordeel in deze minder gezaghebbend is en ook op een veel geringere studie berust [cursief – KRF]. Mijn overtuiging is dan deze: het Engelsche zakenrecht is èn ook in vele zijner regelingen, eenige eeuwen bij die van het Europeesche vasteland ten achter. Het is een opeenhoping van verouderde, thans onbruikbaar geworden begrippen, en dwaze ficties, waarover eenmaal niemand zich meer verbazen zal dan de Engelschman zelf, zoodra hij ze afgeschaft zal hebben. (…)
(…) De Engelsche opvatting, dat hij, die het goed voor een ander beheert en daarover beschikken kan, de eigenlijke gerechtigde is, staat ongetwijfeld achter bij de onze, volgens welke degenen, voor wien beheerd wordt, de uitsluitende eigenaar van het goed is.”2
Hoewel het op het eerste gezicht – vanwege de verschillen tussen het continentale en het ‘common law’ rechtssysteem – niet direct duidelijk is of de inpassing van de trust in het Nederlandse recht kan worden gerealiseerd, vind ik de boude uitspraak van Meijers onterecht. De hierboven aangehaalde passage illustreert naar mijn mening dat Meijers’ overtuiging over de Anglo-Amerikaanse trust en de inpassing hiervan op een verkeerde interpretatie berust.3 Hij baseert zijn analyse van de Anglo-Amerikaanse trust en de onmogelijkheid van de inpassing hiervan op een geringe studie die hij heeft verricht – hij geeft de facto toe dat hij vooringenomen is zonder een uitvoerige studie hiernaar te hebben gedaan, hetgeen onder andere de weg lijkt te hebben geplaveid voor bepaalde misvattingen, argumenten tegen de invoering en de afwijzing van een trustfiguur in het Nederlandse recht.4
In het onderstaande zullen de meest voorkomende misvattingen die thans nog steeds bestaan over de trust en die veelal ten grondslag liggen aan de argumenten tegen de invoering van de trust, kort worden besproken.