Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.4:5.4 Toerekening in de literatuur
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.4
5.4 Toerekening in de literatuur
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507337:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema & Scheltema 2013, p. 350 en 411.
In dit verband verwijzen zij naar HR 12 juni 1992, NJ 1993/113 m.nt. C.J.H. Brunner (Bedrijfsvereniging/Boulogne), dat wordt besproken in paragraaf 5.5.1.
Barendrecht e.a. 2002, p. 38.
Zie ook Pennarts 1996, p. 91-92.
Van Maanen & De Lange 2005, p. 78.
Meijer 2007, p. 18.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De literatuur met betrekking tot het vereiste van toerekenbaarheid in de context van onjuiste informatieverstrekking is (eveneens) dun gezaaid. De opvatting met de verste strekking kan worden aangetroffen in het handboek van Scheltema & Scheltema.1 Zij schrijven met grote stelligheid dat voor de aansprakelijkheid voor informatie bestuursrechtelijke regels gelden, zodat het vereiste van toerekenbaarheid (in het geheel) niet wordt gesteld. Elders in hun handboek merken zij op dat deze eis niet wordt gesteld voor zover het om publiekrechtelijke verhoudingen gaat. Volgens Scheltema & Scheltema doet het gelijkheidsbeginsel hier zijn invloed gelden. Vanuit het gezichtspunt van de gelijkheid voor de publieke lasten zou het – ongeacht de verwijtbaarheid – beter te verdedigen zijn om schade als gevolg van overheidshandelen in strijd met het recht ten laste van de collectiviteit te brengen.2 Men zou kunnen zeggen dat een onrechtmatige daad krachtens verkeersopvattingen steeds voor rekening van de overheid komt, zodat het eenvoudiger is om de eis in het geheel niet te stellen, aldus Scheltema & Scheltema. Verder toegespitst op het verstrekken van onjuiste informatie kan worden gewezen op de studie van Barendrecht e.a., die de volgende paragraaf bevat:3
‘Voor zover gerichte of ongerichte onjuiste of onvolledige informatie is gegeven waarop een burger mag afgaan, speelt het vereiste van toerekenbaarheid, zoals dat is neergelegd in de artt. 6:74 lid 1 en 6:162 lid 3 BW, geen zelfstandige rol (van betekenis) meer voor de vaststelling van aansprakelijkheid. De rechtvaardiging daarvoor is met name te vinden in de gedachte dat de gevolgen van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie beter voor rekening van de collectiviteit kunnen worden gebracht dan voor rekening van de individuele getroffen burger.’
Deze opvatting is eveneens gebaseerd op de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het vereiste van toerekenbaarheid bij vernietigde besluiten, naar welke rechtspraak vrijwel uitsluitend wordt verwezen in de voetnoten waarmee Barendrecht e.a. de hiervoor aangehaalde passage kracht bijzetten (zie over deze rechtspraak paragraaf 5.5.1). Ook Hartkamp & Sieburgh verwijzen naar de regel dat de toerekening van een onrechtmatige daad die bestaat in het nemen van een besluit dat wordt vernietigd door de bestuursrechter, in beginsel is gegeven.4 Zij stellen dat de overheid geen beroep op verschoonbare rechtsdwaling toekomt, en dat zij in haar verhouding tot de burger het risico draagt van een later door de rechter onjuist bevonden uitleg van de wet.5 Volgens Hartkamp & Sieburgh lijkt het moeilijk voorstelbaar dat anders zal worden beslist indien het gaat om andere met de wet strijdige handelingen of om schending van het ongeschreven recht.
In het verlengde hiervan, schrijven Van Maanen & De Lange dat het niet meer dan billijk is dat het risico van onjuiste wetsuitleg voor rekening van de handelende overheid komt, omdat de overheid en niet de (van haar afhankelijke) burger verantwoordelijk is voor wetshandhaving en wetstoepassing.6 Zij stellen dat het niet geheel duidelijk is of de regel dat de schuld in beginsel is gegeven, ook opgaat waar het gaat om andere gevallen van onrechtmatig overheidshandelen dan het nemen van besluiten. Meijer is een soortgelijke mening toegedaan:7 ‘Van een overheid wordt veel verwacht. Zij dient zich voorbeeldig te gedragen en alle belangen in de samenleving zorgvuldig af te wegen voordat zij handelt. Daarnaast is de overheid ook nog eens zeer draagkrachtig. De hoedanigheid van de overheid leidt ertoe dat een onrechtmatige gedraging bijna altijd zal kunnen worden toegerekend aan de overheid.’ Door Meijer wordt derhalve veel gewicht toegekend aan de hoedanigheid en taak van de overheid en aan haar financiële armslag.
In de literatuur die de revue is gepasseerd in deze paragraaf en de rechtspraak die is besproken in de vorige paragraaf wordt vrijwel steeds aansluiting gezocht bij de rechtspraak over de toerekening van een onrechtmatige daad die bestaat in het nemen van een onrechtmatig besluit. Aan deze (snelle) toerekening wordt daarom meer aandacht besteed in de volgende paragraaf.