Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.6.1.2
2.6.1.2 Onvolkomenheden als gevolg van minder juridisch taalgebruik
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661468:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 15 april 2003, nr. 02/05486, FutD 2003-1111, r.o. 5 (toelichting ouderenkorting is te ruim gesteld en daardoor in strijd met de wet). Zie ook Hof 's-Gravenhage 14 november 1988, nr. 4445/87, V-N 1990/3283,5, r.o. 12. Vgl. Stouthart 2020 over informatie op de website over DAC6 ten aanzien het verschoningsrecht.
HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76, r.o. 2.4.2 (zie paragraaf 6.2.1.6); Hof ’s-Hertogenbosch 3 maart 2017, nr. 16/00249, V-N 2017/25.17, r.o. 4.6 (in informatie op website over het verlaagde kwarttarief voor kampeerauto’s werd het begrip ‘gold’ vermeld, dat door belanghebbende was opgevat als ‘gelding hebben’, terwijl de Belastingdienst dit bedoelde als ‘toegepast worden’); Hof 's-Hertogenbosch 14 september 2018, nrs. 17/00523 en 17/00604, V-N 2019/2.18.15, r.o. 3.2; Hof 's-Hertogenbosch 16 februari 2018, nr. 17/00139, V-N 2018/28.15.29, r.o. 3.2.
Bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2011, nr. 10/00457, V-N 2012/8.11 (de term ‘aansluitend’ was niet vermeld op de website waardoor volgens het Hof voor belanghebbende ‘niet duidelijk was dat de in die term besloten gelegen voorwaarde van toepassing was’; ‘gebrekkige informatieverschaffing’). Zie ook HR 24 september 2010, nr. 08/03539, BNB 2010/314, r.o. 3.5.4 en r.o. 4.4 van de hofuitspraak (zie paragraaf 6.2.1.3); Hof Amsterdam 12 januari 2012, nr. 11-00182, V-N 2012/20.27.8, r.o. 6.2-6.4 en zie r.o. 4-3-4.5 van de rechtbankuitspraak); Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2018, nrs. 16/01393 en 16/01394, V-N 2018/21.27.2; Rechtbank Den Haag 16 september 2020, nr. SGR 20/2516, V-N 2021/2.2.2, r.o. 10.
HR 3 januari 1990, nr. 26 325, BNB 1990/148, waarin volgens het Hof bij de toelichting van het aangiftebiljet was sprake van een ‘onvolledige, tot misverstand aanleiding gevende mededeling’) en zie het commentaar van Scheltens bij BNB 1990/148; Hof Den Haag 4 augustus 2020, nr. BK-19/00528, V-N 2020/57.1.7, r.o. 5.7-5.9; zie r.o. 2.12 van de rechtbankuitspraak in Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2019, 18/00297, V-N 2019/27.18.5, r.o. 4.1 waarin de vraagstelling in het aangifteprogramma ‘kennelijk de lading niet dekte van de inkomsten die bij die vraag hadden moeten worden ingevuld’; Hof Arnhem-Leeuwarden 3 januari 2019, nr. 18/00125, V-N 2019/14.24.6, r.o. 4.14; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17 7318, V-N 2020/15.17, r.o. 2.10 (zie paragraaf 7.4.2.3). Zie ook ABRvS 1 maart 2006, nr. 200504310/1, AB 2006, 188.
In de eerste plaats bevat voorlichting, omwille van de begrijpelijkheid en leesbaarheid voor burgers, taalgebruik dat minder juridisch van aard is dan in de onderliggende wet- en regelgeving (paragraaf 2.5). Een en ander kan ertoe leiden dat juridische elementen of nuance verloren raken, waardoor het resultaat onjuist en/of onvolledig is.
Dit kan – zo laat de rechtspraak zien – zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de bewoordingen in de voorlichting te algemeen of te ruim gesteld zijn1 of voor meerderlei uitleg vatbaar.2 Ook valt te denken aan gevallen waarin de eenvoudigere bewoordingen in de voorlichting een bepaald juridisch begrip weglaten of vervangen door een ander (bijvoorbeeld alledaagser) begrip, terwijl in het juridische begrip een juridische voorwaarde ligt besloten.3 Verder kan het gaan om situaties waarin, omwille van de toegankelijkheid, niet alle relevante aspecten van een regeling aan bod komen en de voorlichting daarmee onvoldoende precies, en dus onvolledig en/of onjuist, is.4