Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.3.4.1:8.3.4.1 Algemeen
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.3.4.1
8.3.4.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577519:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p.30 (MvT); Frenk 1994, p. 163.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 177.
Amendement Soutendijk/Korthals, Kamerstukken II 1993/94, 22 486, nr. 15. Zie ook Oranje & Henquet 2004, p. 342 e.v.
Vgl. Oranje 2005, p. 290.
Oranje 2005, p. 290.
Zie over de schadestaatprocedure onder meer Spoelder 1966.
Oranje 2005, p. 296-297.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde lid van artikel 3:305a BW bepaalt dat de rechtsvordering niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. De argumenten van de Nederlandse wetgever om de rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van artikel 3:305a lid 3 BW uit te sluiten, komen mij niet sterk voor. De motivering van de wetgever om de rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van artikel 3:305a lid 3 BW uit te sluiten, is dat slechts individueel kan worden bepaald of en in hoeverre een persoon jegens wie onrechtmatig zou zijn gehandeld daardoor schade heeft geleden. De collectieve vordering zou hier niet geschikt voor zijn. Wegens het feit dat het dient te gaan om gelijksoortige belangen, dienen volgens het amendement Soutendijk/Korthals in een collectieve actie geen individueel verschillende vragen aan de orde te komen zoals bij de vordering tot verkrijging van schadevergoeding het geval zal zijn. Daarnaast zou de bestaande regelgeving volstaan, door in het geval de schade namens bepaalde personen te vorderen zou zijn, te denken aan de procesvolmacht en de lastgeving ter incasso.1 Het voeren van een proefproces zou een andere mogelijke oplossing zijn.2
Het is te betreuren dat de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen, welke mogelijkheid in het aanvankelijke wetsvoorstel van de wetgever nog wel bestond, zonder goede reden (anders dan vermeende praktische overwegingen) bij amendement is verdwenen.3 Het is maar de vraag of de angst voor een zekere mate van pluriformiteit in een collectieve actie terecht is.4 De argumenten van de wetgever om de rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van artikel 3:305a lid 3 BW uit te sluiten, zijn niet overtuigend. Ook bij de in andere rechtsstelsels bestaande collectieve acties of class actions wordt bepaald of en in hoeverre personen schade hebben geleden en wordt uiteindelijk aan de personen die deze schade hebben geleden schadevergoeding uitgekeerd. De technisch-juridische problemen die ontstaan bij de vordering tot schadevergoeding in geld zijn niet onoverkomelijk. Ook voor een collectiviteit kan worden bepaald of en in hoeverre een (rechts)persoon jegens wie onrechtmatig zou zijn gehandeld schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging. In de Amerikaanse class action vormt enige pluriformiteit ook geen beletsel voor het kunnen vorderen van schadevergoeding in geld.5
Het dient naar Nederlands recht op grond van artikel 3:305a BW te gaan om gelijksoortige belangen en de belangen moeten bundelbaar zijn. Het is verdedigbaar dat de grondslag van de vorderingen hetzelfde dient te zijn, maar indien bij de vaststelling van schade eventuele complicerende afzonderlijke berekeningen vereist zijn, kan de rechter zich best beperken tot vragen van aansprakelijkheid. De vraag naar de omvang van de individuele schade zou verder in een schadestaatprocedure kunnen worden afgehandeld.6
Eventuele problemen met betrekking tot de onbundelbaarheid van bepaalde belangen kunnen goed door de rechter zelf worden opgelost. Zo wijst Oranje op het feit dat de rechter (á dan niet na een comparitie) met behulp van een tussenvonnis in de zin van artikel 232 Rv kan beslissen op mogelijke weren van de gedaagde partij die zijn gegrond op onbundelbaarheid van de betrokken belangen. Door de vordering gedeeltelijk af te wijzen, kunnen ook bepaalde belanghebbenden buiten het collectief worden geplaatst.7 Tevens kan de groep van belanghebbenden geheel worden goedgekeurd (waarbij de weren van de gedaagde partij ongegrond worden verklaard) of kan de collectieve actie geheel worden afgewezen (waarbij de weren geheel gegrond worden bevonden).