Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.9.3
6.9.3 De veilige haven van § 546(e) BC
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406898:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid en zeer kritisch Parikh 2012.
§ 546(e) BC bepaalt: “Notwithstanding sections 544, 545, 547, 548(a)(1)(B), and 548(b) of this title, the trustee may not avoid a transfer that is a margin payment, as defined in section 101, 741, or 761 of this title, or settlement payment, as defined in section 101 or 741 of this title, made by or to (or for the benefit of) a commodity broker, forward contract merchant, stockbroker, financial institution, financial participant, or securities clearing agency, or that is a transfer made by or to (or for the benefit of) a commodity broker, forward contract merchant, stockbroker, financial institution, financial participant, or securities clearing agency, in connection with a securities contract, as defined in section 741(7), commodity contract, as defined in section 761(4), or forward contract, that is made before the commencement of the case, except under section 548(a)(1)(A) of this title.”
“[The purpose is] to minimize the displacement caused in the commodities and securities markets in the event of a major bankruptcy affecting those industries.” (H.R. Rep. 97-420, at 2 (1982), as reprinted in 1982 U.S.C.C.A.N. 583, 583). “This broad protection was designed to ensure settlement finality, and therefore market stability.” (Enron Creditors Recovery, 422 B.R. 423).
Kaiser Steel Corp. v. Charles Schwab & Co., Inc., 913 F.2d 846, 848 (10th Cir.1990).
“Nothing in the relevant statutory language suggests Congress intended to exclude these payments from the statutory definition of ‘settlement payment’ simply because the stock at issue was privately held.” (QSI Holdings, Inc. v. Alford (In re QSI Holdings), 571 F.3d 545 (6th Cir. 2009)). In dezelfde zin: Contemporary Indus. Corp., 564 F.3d 981 (8th Cir. 2009).
In re Plassein Int’l Corp. (In re Plassein), 590 F.3d 252 (3d Cir. 2009).
“Transactions that do not involve a financial intermediary do not implicate the kinds of concerns about the stability and integrity of the securities markets that section 546(e) was enacted to protect.” Zie bijvoorbeeld Enron Creditors Recovery, 422 B.R. 423 (S.D. N.Y. 2009) en In re Mervyn’s Holdings, LLC, 426 B.R. 488 (Bankr. D. Del. 2010).
Zo overweegt Hesse: “The main lesson to be learned […] is that proceeds from an LBO should be “funneled” through a financial institution as a “settlement payment” to increase the possibility the payments will be shielded from fraudulent transfer scrutiny.” (Hesse 2007, p. 22).
Fox 2010.
Parikh 2012.
Utlik & Carrol 2010, par. IV. Vgl. Walker & Dean 2009, p. 71-73.
Naast het door sommige rechters gehanteerde wetenschapsvereiste, worden aandeelhouders tevens beschermd door de toegenomen bereidheid van rechters om de betalingen aan aandeelhouders in het kader van een LBO onder de beschermende werking van § 546(e) BC te brengen.1 Dit artikel bepaalt kort gezegd dat de curator geen betalingen mag vernietigen die kwalificeren als settlement payment en die zijn verricht door een financiële instelling.2 Deze regeling heeft ten doel de stabiliteit en integriteit van de financiële markten te waarborgen.3
In de Kaiser Steel-zaak moest het Court of Appeals (10th Cir. 1990) beoordelen of § 546(e) BC van toepassing was op de betalingen die in het kader van een LBO waren verricht aan de pre-LBO aandeelhouders voor hun aandelen.4 Het betrof in casu de overname van een beursgenoteerde vennootschap, waarbij de koper een openbaar bod op de aandelen van het doelwit had gedaan. Het Court of Appeals kwam op basis van de tekst van § 546(e) BC en haar wetsgeschiedenis tot de conclusie dat de definitie van ‘settlement payment’ zeer ruim moest worden geïnterpreteerd, zodat een betaling die in het kader van een LBO plaatsvond onder die definitie viel. Omdat de betalingen daarnaast waren verricht door een financiële (clearance)instelling, beschikte de curator niet over de mogelijkheid om de betalingen ongedaan te maken, aldus het Court of Appeals. Deze redenering is sindsdien door een aanzienlijk aantal rechters gevolgd in het geval van LBO’s van beursgenoteerde ondernemingen.
Uit recentere jurisprudentie blijkt dat de veilige haven van § 546(e) BC ook bescherming kan bieden aan de pre-LBO-aandeelhouders van een niet-beursgenoteerde vennootschap. Een aantal rechters heeft de bepaling van toepassing verklaard op LBO’s van closely-held corporations.5 Daarbij valt op dat sommige rechters buitengewoon soepel omgaan met het vereiste dat de betaling moet zijn verricht door een financiële instelling: de enkele betrokkenheid van een bank bij de overmaking van de onttrokken gelden is bijvoorbeeld voor het Court of Appeals (3d Cir. 2009) voldoende om de betalingen onder de beschermende werking van § 546(e) BC te brengen.6
Hoewel niet alle rechters de ruime toepassing van § 546(e) BC onderschrijven, 7 is deze ontwikkeling in de juridische literatuur niet onopgemerkt gebleven. In de vakliteratuur wordt inmiddels geadviseerd om alle LBO-betalingen via een financiele instelling te laten lopen, om zo bij voorbaat de curator in een eventueel later faillissement de pas af te snijden.8 Andere auteurs zijn echter kritisch; zij stellen dat door deze benaderingswijze de facto alle LBO’s onaantastbaar zijn geworden, en dat dit roekeloos leengedrag in de hand werkt.9 Het lijkt deze auteurs onwaarschijnlijk dat de wetgever met de introductie van § 546(e) BC de bedoeling heeft gehad om bescherming te bieden aan aandeelhouders die vermogen onttrekken aan een insolvente vennootschap, of deze opzadelen met te veel schulden. Een aantal van hen bepleit daarom aanpassing van § 546(e) BC teneinde haar toepasselijkheid op LBO-betalingen uit te sluiten.10
Zo overwegen Utlik en Carrel in 2010: “From a policy point view, the outcomes of the recent decisions may not make sense. After all, there is no policy reason why Congress would have wanted to permit a shareholder of an insolvent company to extract from the company funds for themselves while saddling the company with debt through an LBO that directly results in the company filing for bankruptcy relief and leaving creditors of the company unpaid. Similarly, it would be strange that a shareholder can obtain the benefits of the Safe Harbor simply by structuring the payments through a financial intermediary instead of an attorney.”11