De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.3.1:16.3.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.3.1
16.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369027:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie §§ 13.1-13.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk worden de art. 3:307 tot en met 3:311 BW bezien, voor zover het de daarin verwoorde subjectieve termijnen betreft. Eerder zette ik uiteen de door de wetgever gekozen structuur van bijzondere subjectieve termijnen niet helemaal gelukkig te achten. Mijn voorkeur heeft een systeem met een algemeen geldende subjectieve termijn.1 Maar dat punt is hier niet meer aan de orde. De door de wetgever gekozen benadering is een gegeven, het gaat er nu slechts om hoe hij de bijzondere bepalingen heeft uitgewerkt. De bepalingen luiden als volgt — alleen de hoofdregel is weergegeven; nadere artikelleden zijn weggelaten:
Art 3:307 lid 1 BW; de rechtsvordering tot nakoming
"Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden."
Art 3:308 lid 1 BW; de periodieke rechtsvordering
"Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden."
Art 3:309 lid 1 BW; de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling "Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden (...)."
Art 3:310 lid 1 BW; de rechtsvordering tot vergoeding van schade
"Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (...)."
Art 3:311 lid 1 BW; de rechtsvordering tot ontbinding
"Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden (...)."
Thans volgt de beschouwing van deze bepalingen.