Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/I.1:I.1 Inzet
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/I.1
I.1 Inzet
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178828:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift beoogt het denken over het besluit verder te brengen. Een beeldenstorm is daarvoor niet nodig. Het ‘besluitenrecht’ heeft een lange ontwikkeling achter de rug, zodat grote gedachten, hemelbestormende theorieën en sweeping statements weinig opportuun lijken. Het heeft weinig zin het besluit geheel opnieuw te doordenken, althans om het besluit uitsluitend vanuit de dogmatiek te benaderen. Een meer bescheiden, detailgerichte aanpak volstaat. Gekozen is daarom om tien specifieke, afgebakende thema’s uit te diepen. Hoe moet een besluit worden uitgelegd? Kan een scheidsgerecht besluiten vernietigen? En is een besluit om iets niet te doen wel een besluit? De inzet is om tien problemen op te lossen, althans om het recht rondom het besluit op tien punten vooruit te helpen. Een capita selecta rond het besluit zogezegd.
Anno 2020 lijkt een proefschrift over het besluit meer een monument voor het rechtspersonenrecht van vroeger dan een gids voor het ondernemingsrecht van de toekomst. Wie over het besluit schrijft, verlangt eigenlijk terug naar de tijd van Van der Grinten, de struktuurvennootschap en de commissie-Verdam. Want tegenwoordig gaat de rechtsontwikkeling aan het besluit voorbij. De wereld steunt op de nieuwe krachten van enquêterecht, bestuurdersaansprakelijkheid en vennootschappelijk belang. Begriffsjurisprudenz heeft plaatsgemaakt voor economische werkelijkheid. Het besluit is verworden tot een rechtsfiguur in de marge.
Ik zou het graag iets anders willen zien. De ontwikkelingen zijn niet tegen te houden en dat moet ook niet. Wellicht valt niet te ontkennen dat het besluit een wat minder prominente rol speelt dan vroeger, maar dit proefschrift is niet uit weemoed geschreven. Het besluit is onverminderd relevant. In de eerste plaats behoeft ook de kerndogmatiek van het ondernemingsrecht het nodige ‘wegonderhoud’. In de tweede plaats staat in veel procedures nog steeds een besluit centraal. Zeker wanneer de enquêteprocedure ontoegankelijk is, wordt over een besluit geprocedeerd. Maar – in de derde plaats – het meest van belang is nog dat het besluit wel degelijk oplossingen biedt die aansluiten bij het ondernemingsrecht van nu. Hopelijk laat dit proefschrift dat zien.