Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.8.7:5.8.7 Afronding
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.8.7
5.8.7 Afronding
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS618042:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waardering speelt in zowel Chapter 11, de Scheme, het WCO II-voorstel, de Concept Restructuring Directive als het WHOA-voorstel een belangrijke rol voor de belangenbescherming van vermogensverschaffers. De manier waarop die bescherming wettelijk is ingekaderd, verschilt in de betreffende stelsels. Om te beoordelen of het akkoord in het belang is van de vermogensverschaffer(s) moeten op grond van de omstandigheden van het geval waarderingsrapporten worden overgelegd. Vervolgens is het aan de rechter om aan de hand van de in de betreffende jurisdictie geldende regels te toetsen of het pre-insolventieakkoord recht doet aan de positie van de betrokken vermogensverschaffers.
Voor de positie van individuele tegenstemmende vermogensverschaffers (in een bij meerderheid voorstemmende klasse vermogensverschaffers) is van doorslaggevend belang wat hun verwachte opbrengst zonder financiële herstructurering is. Als in het rechtsstelsel een noodzaakcriteriumgeldt (en de financiële status van de vennootschap kan worden getoetst) dan is de waarde bij vereffening van de rechtspersoon in faillissement relevant voor de vermogensvergelijking. Als die noodzaak niet wordt vastgesteld of kan worden getoetst, is de kans op onteigening zonder adequate compensatie aanwezig. Zonder financiële noodzaak moet het akkoordniet aan een tegenstemmende vermogensverschaffer worden opgelegd op grond van de toets dat het akkoord meer oplevert dan de opbrengst bij vereffening van de rechtspersoon in faillissement. Zoals weergegeven gaan de meeste stelsels wel uit van die financiële noodzaak en kan voor de opbrengst zonder financiële herstructurering worden uitgegaan van de liquidatiewaarde van de rechtspersoon.
Voor bescherming van een klasse tegenstemmende vermogensverschaffers moet de lat hoger liggen en de vermogensvergelijking gebaseerd zijn op de (hogere) going concern reorganisatiewaarde: de ondernemingswaarde gebaseerd op een business case van de geherstructureerde vennootschap en de daarmee verbonden onderneming(en). Als de meerderheid van een klasse niet heeft ingestemd met een bepaald pre-insolventieakkoord dient vast te staan dat iedereen conform rang zijn deel van de reorganisatiewaarde krijgt: de waarde die met de continuïteit van de onderneming (met aangepaste vermogensstructuur) wordt nagestreefd. De reorganisatiewaarde staat daarbij centraal voor de vraag of een klasse met een hogere rang meer waarde ontvangt dan het nominale bedrag van de vordering van die klasse.