TFO 2025/200.5
De Nederlandse earningsstrippingmaatregel: zes jaar later
Mr. M.H.C. Ruijschop, datum 13-08-2025
- Datum
13-08-2025
- Auteur
Mr. M.H.C. Ruijschop1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD21533:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht (R)
Vennootschapsbelasting (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Michel Ruijschop is fiscaalrechtelijk docent aan de Universiteit van Leiden, verbonden aan de afdeling Belastingrecht en tevens verbonden aan het Tax Knowledge Center van KPMG Meijburg.
Wet van 19 december 2018, Stb. 2018, 508.
Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016, PbEU 2016, L 193/1.
De minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars blijft buiten beschouwing. Ook besteed ik geen aandacht aan de wijzigingen die in relatie tot de earningsstrippingmaatregel in artikel 14a en artikel 14b Wet VPB 1969 zijn aangebracht, aan artikel 15ba Wet VPB 1969 en aan de interactie van de earningsstrippingmaatregel met de fusie- en splitsingsfaciliteiten in de Wet VPB 1969.
Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 8. Als de ontvanger ook onder het bereik van de Nederlandse earningsstrippingmaatregel valt, creëert de rentebate daar wel meer ruimte voor renteaftrek.
Waarbij dit bedrag ten minste op nihil is gesteld.
Ik heb een voorkeur voor het begrip franchise omdat dit beter dan het begrip ‘drempel’ tot uitdrukking brengt dat het gaat om een vrijstelling aan de voet die niet vervalt bij overschrijding ervan.
Earnings Before Interest Taxes Depreciation and Amortization.
Brief van 11 december 2024, 2024-0000563435, V-N 2025/3.12.
Brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 februari 2025, 2025-0000036593, V-N 2025/8.12, antwoord op vraag 8. In het antwoord op vraag 10 gaat de minister specifiek in op de effecten op de renteaftrek voor woningcorporaties. De bedragen aan niet-aftrekbare rente bij woningcorporaties zijn ongeveer 10% tot 15% van de totale rente die niet-aftrekbaar is.
Zie onder meer S.A. Stevens, ‘De toekomst van de rentaftrek in de vennootschapsbelasting’, TFO 2017/150.4.
Deze verlaging werd onderbouwd met het betoog dat hierdoor een meer gelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen zou worden bewerkstelligd. Zie Kamerstukken II 2021/22, 35927, nr. 12, p. 3 en Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 55.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 55. Een duidelijk voorbeeld waaruit blijkt dat politici het percentage als een draaiknop zien om geld op te halen voor allerlei doeleinden was wel een bij de behandeling van het Belastingplan 2025 ingediend amendement (Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 6) om door het niet doorgaan van de verhoging van het percentage de bezuinigingen op de zorgkosten te betalen.
Brief van 26 juni 2025, 2025-0000178121. EU Anti-Tax Avoidance Directive, Implementation Overview, KPMG Meijburg, 2024.
Het is dan ook onduidelijk hoe men het Europese gemiddelde heeft bepaald dat in het Belastingplan 2025 is genoemd. Slowakije hanteert het lagere percentage voor gelieerde leningen.
Dat geldt voor Portugal, Roemenië, Slovenië, Spanje, Polen, Hongarije en Zweden.
Italië, Letland en Slowakije.
Het voorstel om de franchise op nihil te stellen voor ‘vastgoedlichamen’, opgenomen in het Belastingplan 2025, verdient daarbij een eervolle vermelding vanwege het bijna halen van eindstreep. Dit voorstel strandde nadat Eric Van Uunen (TaxLive 19 september 2024) betoogde dat hierdoor de kleine vastgoedbelegger ernstig zou worden geraakt. Daarnaast waren er twijfels over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van dit voorstel, zie M.H.C. Ruijschop, ‘Aanscherping earningsstrippingmaatregel voor “vastgoedlichamen” is (mogelijk) in strijd met Europese recht’, NLF-W 2024/35.
Brief van 26 juni 2025, 2025-0000178121.
De definitie komt inhoudelijk overeen met de omschrijving van geldlening in de aftrekbeperking voor deelnemingsrente (artikel 13l Wet VPB 1969), de renteaftrekbeperking voor overnameschulden, beide van kracht van 2013 tot en met 2018 en de thincapregeling in artikel 10d Wet VPB 1969 (2004-2012). Artikel 10a Wet VPB 1969 kende tot en met 2006 ook het begrip geldlening, maar is vanaf 2007 overgegaan op het ruimere begrip ‘schuld’.
De Hoge Raad heeft immers in HR BNB 2012/37 beslist dat de onzakelijke lening geen vierde categorie leningen is die fiscaal als eigen vermogen moet worden beschouwd, en dus als fiscaalrechtelijk vreemd vermogen dient te worden beschouwd.
De rente die ter zake van een onzakelijke lening fiscaal in aanmerking wordt genomen, dient dan uiteraard te worden bepaald met inachtneming van de zogenoemde borgstellinganalogie, geheel en al conform de lijnen van HR BNB 2012/37.
Zie titel 2c van Boek 7 BW. Artikel 7:129, eerste lid, BW luidt: “De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.”
Dit was ook het geval in artikel 13l Wet VPB 1969 en artikel 15ad Wet VPB 1969. De thincapregeling (artikel 10d Wet VPB 1969), van kracht in de jaren 2004 tot en met 2012, kende aanvankelijk deze uitbreiding begrip niet. In 2007 is de uitbreiding opgenomen, teneinde ook geldverstrekkingen die civielrechtelijk geen geldlening zijn, maar in economisch opzicht daar wel mee op één lijn kunnen worden gesteld, ook onder het bereik van de regeling te laten vallen. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30572, nr. 8, p. 85.
Artikel 2, onderdeel 1, ATAD1-richtlijn.
O.C.R. Marres, ‘Het rentesaldo in de earningsstrippingmaatregel’, WFR 2203/255
Aan dit inmiddels 72 pagina’s tellend document opgesteld door de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is ook de term MEGVO ontleend. De laatste versie verscheen op 28 mei 2024. Zie V-N 2024/50.4. Een deel van de standpunten is thans opgenomen in het beleidsbesluit earningsstrippingmaatregel (Besluit van 24 november 2023, nr. 2023-22492, Stcrt. 2023, 31452, V-N 2024/10.7). Zie voor een beschouwing over de verhouding tussen de syllabus en het beleidsbesluit earningsstrippingmaatregel R. Gielen, ‘De earningsstrippingmaatregel: van syllabus tot beleidsbesluit’. NLF-W 2024/5.
S.A. Stevens, ‘Implementatie van de earningsstrippingmaatregel’, TFO 2019/161.2; N.R. Burger, Art. 15b Wet Vpb 1969 in de praktijk (Fed Fiscale Brochures), par. 2.4.2.2; en O.C.R. Marres, t.a.p.
O.C.R. Marres, t.a.p.
Besluit van 24 november 2023, nr. 2023-22492, Stcrt. 2023, 31452, V-N 2024/10.7. Autonomen zouden het daar volstrekt mee eens zijn, want – is hun stelling – ‘ik heb geen overeenkomst met de Staat Nederland gesloten’.
Syllabus, onderdeel 4.7.1.7 en Marres, t.a.p.
Syllabus, onderdeel 4.7.1.9. Zie ook F.G.H. van Nus, ‘“Rente” in de earningsstrippingregeling’, NTFR-A 2019/1 en Stevens, t.a.p. en de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2388, NLF 2024/1072, m.nt. J. van Strien.
Q.W.J.C.H. Kok, ‘Het beleidsbesluit earningsstripping’, WFR 2024/54.
O.C.R. Marres, t.a.p.
HR 3 november 2023, 21/03076, ECLI:NL:HR:2023:1504, BNB 2024/16 (concl. A-G Wattel; m.nt. Egelie), V-N 2023/51.10.
Marres, t.a.p., is van mening dat de bijtelling bij de toepassing van artikel 10a Wet VPB 1969 op spoedreparatiebasis bij de winst van de fiscale eenheid tot het rentesaldo behoort.
EU-richtlijn antibelastingontwijking 2016/1164 van 12 juli 2016 (Anti Tax Avoidance Directive 1, ATAD 1), p. 5 en p.6.
Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 37 en Kamerstukken I 2018/19, 35030, C, p. 10.
Syllabus, onderdeel 4.3.9.
Zie het voorbeeld genoemd in Kamerstukken I 2018/19, 35030, E, p. 1.
Kamerstukken I 2018/19, 35030, G, p. 2-3.
Besluit van 28 november 2023, Stcrt. 2023, 31452, par. 2.2.2.
Zie ook artikel 2 sub 1 ATAD1-richtlijn: “(…) rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht (…)”.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 3, p. 39, alsmede het beleidsbesluit Earningsstrippingmaatregel (Stcrt. 2023, 31452, V-N 2024/10.7). Zie ook Q.W.J.C.H. Kok, ‘Het beleidsbesluit earninggstripping’, WFR 2024/54.
HR 22 maart 2024, nr. 21/01534, ECLI:NL:HR:2024:469, BNB 2024/52.
C. Bruijsten & D.C. Simonis, ‘Fiscale verwerking van eenmalige inleenkosten’, WFR 2024/184.
Zie de omschrijving van financieringskosten in artikel 2 sub 1 ATAD1-richtlijn, waar melding wordt gemaakt van ‘hedgingregelingen met betrekking tot de regelingen’ en ‘bepaalde winsten op buitenlandse valuta’.
R.P.C. Cornelisse, ‘Objectief, subjectief of hybride?’, NTFR 2019/410; en O.C.R. Marres, t.a.p.
HR 10 april 2009, ECLI:NL:PHR:2009:AZ7364, BNB 2009/271.
HR 17 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:552, V-N 2025/19.5
Besluit van 28 november 2023, Strct. 2023, nr. 31452, onderdeel 3.1.1.
Dit punt maakt ook Q.W.J.C.H. Kok, ‘Het beleidsbesluit earningsstripping’, WFR 2024/54.
Vgl. ook onderdeel 4.7.3.1. van de syllabus inzake de vraag of het vrijvallen van een gepassiveerde renteswappositie gedurende de looptijd van een lening onder de uitbreiding valt. De Belastingdienst lijkt hier een ‘perfecte hedge’ te verlangen, maar ik neem aan dat het gebruik van de term slechts een beschrijvende functie heeft.
Geactiveerde kosten zouden immers zonder deze regeling alleen via afschrijvingen ten laste van de winst kunnen worden gebracht. En bij een gebouw loopt men vervolgens nog tegen de afschrijvingsbeperking (artikel 3.30a Wet IB 2001) aan.
Syllabus, onderdeel 4.8.1. De uitleg in de syllabus is overigens doorgaans voordelig voor de belastingplichtige.
Artikel 4, lid 2, ATAD1-richtlijn.
Zie nader F.P.H. van Hal & M.H.C. Ruijschop, ‘De interactiegevolgen van de duale kwijtscheldingswinstvrijstelling in de vennootschapsbelasting’, WFR 2025/128.
Zie echter F.G.H. van Nus, ‘‘Rente’ in de earningsstrippingregeling’, NTFR-A 2019/1.
Beleidsbesluit earningsstrippingmaatregel, par. 4.2.
K.F.P. Klein, ‘Vaste inrichtingsresultaten in de earningsstrippingmaatregel: hoe om te gaan met verschillen tussen de bijdragewinst en de voorkomingswinst?’, WFR 2025/153.
Zie Klein, t.a.p. Deze problematiek kan zich ook voordoen bij valutaverschillen ten aanzien van rentelasten.
O.C.R. Marres, ‘Waarom de earningsstrippingmaatregel niet in strijd het primaire Unierecht is’, NTFR 2019/3022; R. Bagci, P. Ruige & H. Vermeulen, ‘De earningsstrippingbepaling en de per-elementbenadering. Een Europeesrechtelijk analyse; noodzaak of anathema voor de interne markt?’, WFR 2018/153; en A.W. Hofman, ‘Ingrijpende maatregelen renteaftrek en vastgoedmaatregel voor fiscale beleggingsinstellingen’, WFR 2018/186. Zie ook M.H.C. Ruijschop, ‘Aanscherping earningsstrippingmaatregel voor ‘vastgoedlichamen’ is (mogelijk) in strijd met Europese recht’, NLF-W 2024-35.
M.H.C. Ruijschop, ‘Aanscherping earningsstrippingmaatregel voor ‘vastgoedlichamen’ is (mogelijk) in strijd met Europese recht’, onderdeel 3, NLF-W 2024-35.
T. Gerats & M.H.C. Ruijschop, ‘De earningsstrippingmaatregel en zelfstandige winstbepaling van gevoegde maatschappijen’, NLF-W 2020/23.
KG:032:2025:3 Winstsplitsing bij fiscale eenheid – samenloop artikel 15b en artikel 15ah Wet VPB 1969, publicatiedatum 30 juni 2025, zie punt 10.
Wel de uitspraak Rb. Zeeland-West-Brabant 11 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2388, NLF 2024/1072, m.nt. J. van Strien inzake non recourse factoring.
In breder verband speelt ook nog de vraag of de ATAD1-richtlijn op de juiste grondslag is gebaseerd. Zie ook de conclusie van A-G Kokott van 22 mei 2025, C-524/23, ECLI:EULC:2025:381, V-N 2025/25.8.
1. Inleiding
Op 1 januari 2019 trad de Nederlandse earningsstrippingmaatregel in werking.2 Deze algemene aftrekbeperking van rente, kosten en meer ter zake van geldleningen was en is de Nederlandse implementatie van artikel 4 ATAD1-richtlijn,3 die op zijn beurt is gebaseerd op de aanbevelingen uit het BEPS actieplan 4-rapport. In deze beschouwing sta ik stil bij enkele knelpunten met betrekking tot de earningsstrippingmaatregel en doe ik waar mogelijk voorstellen voor de verbetering van de earningsstrippingmaatregel.4 Volledigheid is nagestreefd noch behaald. Ik sluit af met een conclusie, waarin ik mijn oordeel geef over de earningsstrippingmaatregel, zes jaar later. Onderdeel 2 bevat een hoofdlijnenoverzicht.
2. De earningsstrippingmaatregel in vogelvlucht
2.1 Doel en strekking, Nederlandse implementatie
Met de earningsstrippingmaatregel is beoogd om belastingontwijking door winstverschuivingen door rentebetalingen tegen te gaan. Dat door de invoering van een earningsstrippingmaatregel aan de renteaftrekzijde, in economische zin dubbele heffing optreedt aan de rente-ontvangstzijde, is uitdrukkelijk onderkend.5 Nederland heeft gekozen voor een robuuste implementatie die op onderdelen aanzienlijk verder gaat dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard,6 dit om een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen na te streven. Bijvoorbeeld kent de ATAD1-richtlijn een drempel van € 3 miljoen vrij aftrekbare rente, terwijl Nederland voor een drempel van € 1 miljoen heeft gekozen, is geen uitzondering voor op zichzelf staande entiteiten opgenomen, is geen groepsuitzondering opgenomen en is evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om niet benutte ruimte binnen de EBITDA/gecorrigeerde winst voort te wentelen.
2.2 Hoofdregels
De earningsstrippingmaatregel beperkte de aftrek van het saldo aan renten (de betaalde rentelasten (en meer) verminderd met de ontvangen rentebaten)7 van een geldlening op grond van een formule, waarbij het hoogste van de volgende twee bedragen de ruimte voor aftrek bepaalt (de rekenregel):
een percentage van de zogenoemde gecorrigeerde winst; en
een franchise8 van € 1 miljoen per jaar.
De earningsstrippingmaatregel is niet beperkt tot rente ter zake van geldleningen van verbonden lichamen of natuurlijke personen, maar geldt voor alle geldleningen. Het bedrag dat in enig jaar niet ten laste van de winst kan worden gebracht, wordt onbeperkt in de tijd voortgewenteld. Het voortgewentelde bedrag kan een volgend jaar alsnog ten laste van de winst worden gebracht, maar de in dat jaar ontvangen rentebate strekt niet in mindering op het rentebedrag afkomstig uit een eerder jaar.
Het begrip gecorrigeerde winst is de Nederlandse vertaling van het richtlijnbegrip EBITDA.9
2.3 Financiële gevolgen
Bij introductie werd verwacht dat de earningsstrippingmaatregel een staatskasbijdrage van € 1,1 miljard zou opleveren in 2019, oplopend tot € 1,5 miljard in 2021 en daarna elk jaar € 2 miljard. In 2022 en 2023 bracht de regeling € 1,8 miljard op. Meer bedragen zijn tot dusverre niet bekend gemaakt. In december 2024 meldde het Ministerie van Financiën in de meest recente monitorbrief10 wel enige andere effecten. Zo blijkt uit de effectmeting dat in 2021 van de betaalde € 105 miljard aan bruto rente maar € 90 miljard aftrekbaar was vanwege de earningsstrippingmaatregel. In 2018 waren deze bedragen € 126 miljard (bruto rente) respectievelijk € 118 miljard (aftrekbaar). Een brief van 3 februari 202511 geeft inzicht in de bedragen aan rente die op basis van de earningsstrippingmaatregel in aftrek zijn beperkt: in 2019 was dat € 12,7 miljard, in 2020 € 12,1 miljard en in 2021 € 11,8 miljard aan rente.
In de monitorbrief is te lezen dat de netto betaalde rente door de earningsstrippingmaatregel met 16% is gedaald en dat bedrijven dus ongeveer € 5 miljard minder winst hebben verplaatst door aftrek van betaalde rente. Het totaal vreemd vermogen is door de earningsstrippingmaatregel echter beperkt (8%) gedaald, waarbij deze afname voor een aanzienlijk deel uit concernleningen bestaat. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat ook de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen is verbeterd. De earningsstrippingmaatregel gaat belastingontwijking wel effectief tegen, zo luidt de conclusie, maar op het vlak van het stimuleren van financiering met eigen vermogen, naast de bestrijding van grondslaguitholling door renteaftrek een belangrijke doelstellingen van de maatregel, is het oordeel ‘beperkt effectief’. Dit oordeel sluit aan bij de in de literatuur veel gelezen opmerking dat de introductie van de earningsstrippingmaatregel geen structurele oplossing biedt voor de verschillende fiscale behandeling van vreemd vermogen en eigen vermogen in de vennootschapsbelasting.12
3. Knelpunten in de earningsstrippingmaatregel
3.1 Percentage
In Nederland blijkt het percentage vanaf de inwerkingtreding van de earningsstrippingmaatregel een politieke speelbal te zijn. In de jaren 2019 tot en met 2021 was dit 30%, maar op 1 januari 2022 werd het percentage verlaagd naar 20%.13 Per 1 januari 2025 zou het percentage naar 25% gaan, beweerdelijk het Europese gemiddelde,14 maar door een amendement is dit 24,5% geworden om het niet doorvoeren van de antifragmentatie-maatregel voor vastgoedlichamen te bekostigen.15 Een bestendige lijn hierin zou mijn voorkeur hebben.
In Europa sluiten de meeste landen aan bij het maximumpercentage van 30%.16 Behalve Nederland hanteren alleen Finland en Slowakije een lager percentage, te weten 25%.17 Nederland kent derhalve het laagste percentage in Europa.
3.2 Franchise
Veel lidstaten hebben gekozen voor de maximale franchise, maar een groot aantal ook voor een lagere franchise.18 In een aantal lidstaten geldt zelfs geen franchise.19
In Nederland is de franchise (politiek) een heet hangijzer geworden, vanwege het ‘opknipgedrag’ en de pogingen van de politiek om daar geforceerd een einde aan te maken. Een belastingplichtige kan zich opknippen in verschillende entiteiten teneinde evenzoveel gebruik te maken van de franchise. Ondanks een aantal serieuze pogingen20 is er tot dusverre echter geen specifieke bestrijdingsmaatregel tot stand gekomen. Onlangs heeft de staatssecretaris een brief met de resultaten van een onderzoek hiernaar aan de Tweede Kamer gezonden.21 Daarin lees ik een lichte voorkeur voor de ‘Finse variant’. In Finland geldt een franchise van € 500.000 voor groepsleningen en een franchise van € 3 miljoen voor externe leningen. Daarnaast – zo blijkt uit de brief – zal de invoering van een ‘uitvoerbaar concernbegrip’ worden onderzocht en staat ‘een maatregel langs de lijn van een strengere specifieke renteaftrekbeperking ten aanzien van schulden van verbonden lichamen of natuurlijk personen’ op de rol. Aan het eind van dit jaar weten wij hier meer over.
3.3 Geldlening
Alleen rente (en kosten) ter zake van een geldlening zoals gedefinieerd in artikel 15b, lid 6, sub a, Wet VPB 1969 valt (vallen) onder het bereik van de earningsstrippingmaatregel.22
Tijdens de parlementaire behandeling is duidelijk gemaakt dat vermogensverstrekkingen die fiscaal als eigen vermogen moeten worden beschouwd, geen geldleningen zijn. De aansluiting bij de fiscaalrechtelijke kwalificatie is naar mijn mening een verstandige keuze. Zij heeft als voordeel dat de earningsstrippingmaatregel op dit punt kan meebewegen met de rechtsontwikkelingen ten aanzien van de kwalificatieregels. Zo is thans ook duidelijk dat de ODR-lening fiscaalrechtelijk vreemd vermogen is,23 en dus een geldlening waarvan de rente die fiscaal in aanmerking wordt genomen24 onder het bereik van de earningsstrippingmaatregel valt.
Uit de omschrijving volgt dat behalve geldleningen in civielrechtelijke zin25 ook ‘met geldlening vergelijkbare overeenkomsten’ (hierna: MEGVO) onder het bereik van de earningsstrippingmaatregel vallen.26 De uitbreiding sluit aan bij de ruime omschrijving van het begrip ‘financieringskosten’ in de ATAD1-richtlijn en de niet-limitatieve lijst van instrumenten.27 Dat in deze omschrijving ook wordt verwezen naar nationaal recht, betekent dat eventuele nationaalrechtelijke afwijkingen van de richtlijnbetekenis in beginsel door de Europeesrechtelijke beugel kunnen.28 Uit de definitie volgt tevens dat ook een MEGVO moet zijn gebaseerd op een overeenkomst.
Een initiatief tot nadere inkadering van dit begrip kwam van de zijde van de Belastingdienst in de vorm van de syllabus artikel 15b Wet VPB 1969.29 Ook in de literatuur is aandacht besteed aan dit begrip.30 Belangrijk is dat zowel in de syllabus als in de literatuur31 moeite is gedaan om criteria op te stellen inzake de vraag wanneer een geldverstrekking met een overeenkomst van geldlening vergelijkbaar is. De kern hiervan is dat (de vergoeding ter zake van) verstrekkingen van geld of met geld waardeerbare vermogensbestanddelen die civielrechtelijk geen geldleningen zijn, maar in economisch opzicht wel daarmee vergelijkbaar zijn, onder de earningsstrippingmaatregel vallen. Daarbij is het relevant dat in de syllabus is opgemerkt dat de overeenkomst niet per sé de verstrekking van geld hoeft in te houden (bijvoorbeeld ingeval van huurkoop), maar de afwikkeling ervan wel. Aan de andere kant betekent het begrip MEGVO zeker niet dat alle vermogensverstrekkingen of ‘rechtstoestanden’ waarin een rente-element schuil gaat onder de earningsstrippingmaatregel vallen. Dit is bijvoorbeeld niet het geval ten aanzien van belastingrente en invorderingsrente, aangezien daar geen geldleningsovereenkomst of daarmee vergelijkbaar aan ten grondslag ligt.32 Discussie is mogelijk over de vraag of (en zo ja wanneer) een schuld met een wettelijke rente, ontstaan bij het niet-nakomen van een verplichting uit hoofde van een overeenkomst (na ingebrekestelling), als een voorwaardelijke MEGVO moet worden beschouwd.33 Ook bij factoringsovereenkomsten kan het onduidelijk zijn of sprake is van een geldlening dan wel een daarmee vergelijkbare overeenkomst.34 Hetzelfde geldt bij securities lending35 en ingeval van cashpool-overeenkomsten.36 Een voor de praktijk belangrijk vraagstuk is of en zo ja vanaf wanneer een dividendvordering als geldlening of daarmee overeenkomend kan worden aangemerkt, hetgeen met name relevant is ten aanzien van eventuele valutaresultaten die na de dividenddeclaratie optreden en niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen, maar wel onder de earningsstrippingmaatregel als de dividendvordering als een geldlening moet worden aangemerkt.37 Afgezien van deze bijzonderheden is het algemene beeld echter dat bij de meeste vermogensverstrekkingen redelijk duidelijk is of er sprake is van een geldlening dan wel een daarmee overeenkomende vorm. Daarmee is het mijn oordeel dat het dit begrip vooralsnog geen overwegende bezwaren oproept, en dus werkbaar is.
3.4 Saldo aan renten
Het uitgangspunt van het rentebegrip in artikel 15b Wet VPB 1969 is uiteraard dat het om het (minimaal op nul gestelde) saldo van rentelasten en rentebaten ter zake van een geldlening dan wel MEGVO moet gaan. Uit de omschrijving van het begrip saldo aan renten in artikel 15b, lid 2, Wet VPB 1969 volgt dat eerst andere renteaftrekbeperkingen, zoals artikel 10a Wet VPB 1969,38 moeten worden toegepast alvorens de earningsstrippingmaatregel de aftrek (verder) kan beperken. Hiermee is de samenloop met de andere renteaftrekbeperkingen in de basis naar mijn mening goed geregeld.
Uit de ATAD1-richtlijn en39 het BEPS actieplan 4-rapport blijkt dat het begrip rente ruim en (ook) in economische zin dient te worden opgevat. Een voorbeeld van een dergelijke economische benadering betreft een onder pari uitgegeven geldlening: de aangroei tot de nominale waarde moet zowel bij de schuldenaar als de crediteur als rente in aanmerking worden genomen.40 Een boven pari uitgegeven geldlening is niet aan de orde geweest tijdens de kamerbehandeling, maar het standpunt van de Belastingdienst41 dat het agio als rente moet worden aangemerkt, is naar mijn mening logisch en begrijpelijk. Ook bij een a pari uitgegeven (langlopende) lening kan dit spelen, als de lening tijdens de looptijd wordt overgedragen (cessie) voor een prijs die afwijkt van de nominale waarde, omdat de marktrente voor vergelijkbare leningen inmiddels is gewijzigd.42 Voor de nieuwe schuldeiser vormt het verschil tussen de betaalde (zakelijke) prijs en het nominale rentebedrag een vergoeding voor het gemis aan nominale rente (ingeval dat de marktrente hoger is) dan wel een betaling voor de extra te ontvangen nominale rente (ingeval dat de marktrente lager is). Eventuele waardemutaties die het gevolg zijn van wijzigingen in de kredietwaardigheid vallen daarbij niet onder het rentebegrip voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel.43 Het resultaat is wel dat er bij de (nieuwe) schuldeiser en bij de schuldenaar verschillende bedragen onder de noemer van rente onder de earningsstrippingmaatregel vallen. Bij de schuldenaar geldt immers het nominale rentebedrag als rente in de zin van de earningsstrippingmaatregel.
Ook betekent het economisch ingestoken rentebegrip dat bij vermogensverstrekkingen die als MEGVO moeten worden gekwalificeerd, elke betaling moet worden gesplitst in daarin begrepen rentebedragen en andere elementen. Een voorbeeld hiervan is rente-element in (financial) leasetermijnen. De besluitgever is van mening dat ook de betaling van een beschikbaarheidsvergoeding in zogenoemde DBFMO-contracten moet worden uitgesplitst in een bedrag voor aflossing en voor rente.44
Hoewel een economische benadering van het rentebegrip de eenvoud niet ten goede komt, is zij te begrijpen. Een strikt juridische benadering van het rentebegrip is niet wenselijk, want dat zou de earningsstrippingmaatregel deels krachteloos maken en vatbaar voor arbitrage.
3.5 Uitbreiding definitie rentelasten
Artikel 15b, lid 6, onderdeel b Wet VPB 1969 bepaalt dat ook de kosten van geldleningen45 (evenals de kosten van bepaalde hedge-instrumenten, zie hierna) als rentelasten in aanmerking worden genomen.
Ook hier doet zich een vorm van asymmetrie voor: terwijl kosten van geldleningen bij de betaler onder het bereik van de earningsstrippingmaatregel vallen, is dat niet het geval met de corresponderende baten bij de ontvanger.46 Een voorbeeld betreft garantstellingsprovisies.47
De Hoge Raad heeft beslist dat de belastingplichtige bij eenmalige kosten van geldleningen de keuze heeft tussen activeren en vervolgens uitsmeren over de resterende looptijd van de geldlening, en de kosten ineens in aanmerking nemen.48 In de literatuur49 is terecht geconcludeerd dat deze keuze ook gevolgen heeft voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel.
3.6 Uitbreiding definitie rentelasten en rentebaten
Artikel 15b, lid 6, onderdeel c, Wet Vpb 1969 bevat een zeer ruime uitbreiding van het rentebegrip.50 Op grond van het zesde lid vallen diverse (hedging)resultaten en kosten daarvan er ook onder.
In de literatuur51 is erop gewezen dat waardeveranderingen van de hoofdsom door de wijziging van de rentestand niet tot het saldo aan renten behoren, terwijl de (kosten en) resultaten van een daarmee verband houdend renterisico-afdekkingsinstrument wel als rentesaldo in aanmerking moeten worden genomen. Als gevolg van deze fiscale dissonant kan zich een aftrekbare waardedaling of een belastbare waardestijging van de geldlening voordoen, die in economisch opzicht niet is geleden. Ook hier ligt arbitrage binnen handbereik. Een oplossing hiervoor laat zich niet eenvoudig denken, tenzij men waardemutaties van de geldlening ook onder het bereik van de earningsstrippingmaatregel zou laten vallen. Dat lijkt me te ver gaan. Een andere mogelijkheid is om te regelen dat (binnen concern) afgedekte posities ten aanzien van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel dienen te worden genegeerd. Dat is immers uiteindelijke de bedoeling van deze uitbreiding.
Volgens de rechtspraak is voor de jaarwinstbepaling samenhangende waardering ingeval van fair value hedging verplicht bij een ‘zeer effectieve hedge’ (hierna: de gkg-regel).52 Recentelijk heeft de Hoge Raad nog beslist dat goed koopmansgebruik niet dwingt tot samenhangende waardering bij een toevallige samenhang, maar wel als de hedge – beoordeeld op grond van objectieve omstandigheden – kennelijk is beoogd.53 Volgens het vigerende beleidsbesluit54 mag bij verplichte samenhangende waardering het afgedekte risico dan het fiscale resultaat niet beïnvloeden. Een en ander sluit niet uit dat de samenhangende waardering toch een resultaat laat zien, aangezien een zeer effectieve hedge niet hetzelfde is als een perfecte hedge. Ik begrijp het besluit zo dat in dat geval dit saldoresultaat wel bij de toepassing van de earningsstrippingmaatregel in aanmerking wordt genomen.
Belangrijker nog is de voorvraag of artikel 15b, lid 6, onderdeel c, Wet VPB 1969 een verband tussen de geldlening en het afdekkingsinstrument eist, wat dat verband inhoudt en hoe zich dit verhoudt tot de genoemde rechtspraak.55 De wettekst lijkt geen bepaald verband te eisen, maar slechts te verlangen dat de rechtshandeling ter afdekking van het risico is beoogd (‘strekken tot het afdekken’).56 Toekomstige rechtspraak moet uitwijzen hoe zich de uitbreiding verhoudt tot de rechtspraak van de Hoge Raad. Een met de gkg-regel in lijn zijnde uitleg zou vanuit eenvouds- en rechtszekerheidsoogpunt wenselijk zijn.
3.7 Geactiveerde rente
Dit onderdeel van de earningsstrippingmaatregel bevat voor zover ik weet geen grote problemen, mogelijk omdat de regeling veelal voordelig uitpakt voor de belastingplichtige.57 Een onduidelijkheid hierbij betreft wel nog het volgende. Bij een samenloop tussen (normaliter) geactiveerde rente en regulier (overig) rentesaldo bepaalt artikel 15b, lid 7, tweede zin, Wet VPB 1969 dat ‘overige rentelasten in dat jaar bij voorrang niet in aftrek komen’. In deze wettekst lijkt het alleen te gaan om de rentelasten (dus niet verminderd met de rentebaten, het rentesaldo), maar volgens de syllabus is het wel de bedoeling dat dit moet worden gelezen als het saldo aan renten.58
3.8 Gecorrigeerde winst
Zoals reeds opgemerkt vormt het begrip gecorrigeerde winst, een belangrijk onderdeel van de rekenregel, de Nederlandse vertaling van het begrip EBITDA in de ATAD1-richtlijn. Daarmee wenste de wetgever zoveel mogelijk aan te sluiten bij de belastbare economische activiteit van een belastingplichtige.59
Nederland kent een autonoom winstbegrip, (relatief) onafhankelijk van het commerciële winstbegrip in het jaarrekeningenrecht. In overeenstemming met de mogelijkheid die de richtlijn biedt60 is ervoor gekozen om de fiscale winst als basis te nemen. In artikel 15b, lid 3, Wet VPB 1969 is een aantal correctieposten opgenomen om de EBITDA te benaderen. Daarbij heeft de wetgever geen correcties doorgevoerd die verband houden met specifieke fiscale regelingen en faciliteiten. Anders geformuleerd: alle specifieke voorschriften en regelingen in de sfeer van de vennootschapsbelasting die tot een wijziging van de winst leiden, en niet in de correctieposten zijn opgenomen, hebben (ook) invloed op de gecorrigeerde winst en daarmee de aftrekruimte, zoals de herinvesteringsreserve, de doorschuifregelingen, de deelnemingsvrijstelling, de CFC-regeling, de liquidatieverliesregeling en de kwijtscheldingswinstvrijstelling.61 Ook de Nederlandse jaarwinstregels en inbreuken daarop beïnvloeden de gecorrigeerde winst van een jaar. Deze (specifieke) fiscale regelingen hebben geen of weinig verband met het brutobedrijfsresultaat van een onderneming. De absentie van (verdere) correctieposten maken de gecorrigeerde winst, en dus ook de renteaftrekruimte in de earningsstrippingmaatregel, tot een vrij willekeurige maatstaf, en (dus ook) vatbaar voor arbitrage. Dat dit effect tijdens de parlementaire behandeling is onderkend,62 maakt naar mijn mening niet dat het daarmee acceptabel is.
3.9 Vaste inrichting
De earningsstrippingmaatregel geldt niet voor het saldo aan renten die verband houdt met geldleningen toerekenbaar aan (het vermogen van) een buitenlandse (fictieve) vaste inrichting (artikel 15b, lid 4, Wet VPB 1969) waarop de objectvrijstelling (artikel 15e Wet VPB 1969) van toepassing is.63 Ook de gecorrigeerde winst van de (fictieve) vaste inrichting doet niet mee in de rekenregel, aangezien de gecorrigeerde winst op het fiscale winstbegrip is gebaseerd. Als de objectvrijstelling niet van toepassing is, wordt het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst wel in aanmerking genomen. In zoverre lijkt de regeling consistent en logisch.64
Onduidelijkheid bestaat ten aanzien van afschrijvingen toerekenbaar aan de vaste inrichting. Deze afschrijvingen behoren niet tot de fiscale winst, maar artikel 15b, lid 3, Wet VPB 1969 telt afschrijvingen wel ongeclausuleerd op bij de gecorrigeerde winst. De Belastingdienst gaat er echter vanuit dat afschrijvingen die via de objectvrijstelling uit de fiscale winst worden geëlimineerd, ook niet moeten worden bijgeteld,65 en die opvatting wordt in de literatuur gedeeld.66 De vraag resteert echter welk bedrag aan afschrijvingen niet tot de winst behoort (en dus niet mag worden bijgeteld), aangezien er verschillen kunnen ontstaan tussen het bedrag aan afschrijvingen dat tot de bijdragewinst behoort en het bedrag dat tot de aftrekwinst behoort.67
3.10 Interactie met de fiscale eenheid
Inzake de interactie met de fiscale eenheid wil ik nog twee zaken aan de orde stellen.
Het belangrijkste punt is dat de earningsstrippingmaatregel op het niveau van de fiscale eenheid wordt toegepast. Ook bij de introductie van het spoedreparatieregime in 2018 is de wetgever bij die keuze gebleven, ondanks de in de literatuur geuite twijfels over de vraag of deze keuze wel in lijn is met de per element-rechtspraak van het EU HvJ.68 Naar mijn mening is de keuze van de wetgever echter juist geweest.69 Maar ongetwijfeld zal deze vraag nog aan de (Europese) rechter worden voorgelegd.
Ook ten aanzien van enkelsporige verrekening van verliezen over het (ont)voegingstijdstip heen kan de earningsstrippingmaatregel voor ingewikkelde vragen zorgen.70 Het uitgangspunt hierbij is dat in de fictieve stand alone-situatie de earningsstrippingmaatregel per maatschappij moet worden toegepast ‘als ware er geen fiscale eenheid’, teneinde op correcte wijze de voor verrekening van voorvoegingsverliezen beschikbare winst te bepalen. Het recente kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst komt tot dezelfde conclusie.71 Inzake de verdeling van het 15b-effect op de winst van de fiscale eenheid komt de kennisgroep tot een elegante oplossing, die wat mij betreft prima aansluit bij de bekende regels inzake de enkelsporige verliesverrekening. De indruk blijft echter dat men dit soort ‘technisch geneuzel’ had kunnen voorkomen, door net zoals destijds bij de toepassing van artikel 10d Wet VPB 1969 (oud) het geval was, de earningsstrippingmaatregel uit te schakelen als factor voor de vaststelling van de enkelsporige winst. Ik zou daarnaast willen bepleiten dat ook een positief verschil tussen de winst van de fiscale eenheid en de optelsom van de stand alone-winsten van de verschillende maatschappijen (met inachtneming van de earningsstrippingmaatregel) vrijelijk kan worden toegerekend aan de maatschappijen met voorvoegingsverliezen. Zie voor meer details hierover mijn opinie 'Waardeloze winst' in NLF 2025/19.
4. Conclusie en aanbeveling
Na dik zes levensjaren is fiscaal Nederland langzamerhand gewend geraakt aan de earningsstrippingmaatregel. De regeling is gestart als een relatief eenvoudige rekenregel, die elke een beetje met Excel bekende fiscalist gemakkelijk zou kunnen operationaliseren. Echt grote structurele problemen hebben zich niet voorgedaan en er is nog geen enkel arrest gewezen over de uitleg van de earningsstrippingmaatregel.72 Het begrippenkader functioneert tot dusverre naar behoren, waarbij er onder de oppervlakte wel de nodige discussiepunten zijn. Zo roept het begrip ‘met een geldlening vergelijkbare overeenkomst’ wel vragen op en levert de aanknoping bij een economisch rentebegrip soms willekeurig aandoende resultaten op. De uitbreiding van het rentebegrip tot bepaalde afdekkingsinstrumenten lijkt onvolledig en de aansluiting van deze uitbreiding bij de (verplichting tot) samenhangende waardering is onduidelijk. De grootste problemen worden naar mijn mening veroorzaakt door het begrip gecorrigeerde winst. Dit kan tot willekeurige gevolgen leiden, die zich naar mijn mening slecht verhouden met de ratio van de earningsstrippingmaatregel. Ik zou willen aanbevelen om de voorhanden zijnde wetgevingscapaciteit deels in te zetten om een betere brug te slaan naar het EBITDA-begrip. De earningsstrippingmaatregel kan dan weer een tijdje mee. Toch hangen er nog twee donkere wolken boven de earningsstrippingmaatregel. De eerste is dat de Hoge Raad dan wel het Hof van Justitie EU zou kunnen beslissen dat de regeling in het samenspel met de fiscale eenheid in strijd is met de vrijheid van vestiging.73 De tweede is de mogelijkheid van specifieke antimisbruikregelingen tegen opknipgedrag. Beide ontwikkelingen zouden uiteindelijk kunnen leiden tot een nog complexere regeling. Maar moderne fiscalisten, en dat zijn de lezers van TFO, zijn wel wat gewend. Ten slotte zou ik een lans willen breken voor het niet verder verlagen van de renteaftrekruimte in artikel 15b Wet VPB 1969. Nederland is al binnen Europa ‘rock bottom’ voor wat betreft de implementatie van de earningsstrippingmaatregel. Tegenwoordig is ‘vestigingsklimaat’ bijna een vies woord geworden, maar desalniettemin …