25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/63.2:63.2 Het belang van de Awb
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/63.2
63.2 Het belang van de Awb
Documentgegevens:
mr. R.F.B. van Zutphen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. R.F.B. van Zutphen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is mooi dat we dankzij de Awb weten dat onder ombudsman de Nationale ombudsman wordt verstaan of een door een lagere (tegenwoordig als mede-) overheid ingestelde ombudsman of ombudscommissie. Treffend ook dat de Awb net als daarvoor de Wet op de Nationale ombudsman (WNo) nog steeds uitgaat van het recht van een ieder om schriftelijk aan de ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, terwijl dit nu meestal per telefoon, e-mail of sociale media gaat. Aan dat verzoekschrift worden dan ook nog eens allerlei eisen gesteld zoals dagtekening, omschrijving van de gedraging, gronden en allemaal details over de klachtprocedure in eerste aanleg.
Helemaal achterhaald door de tijd zijn de twintig artikelen nog niet. Zo nu en dan zijn ze zelfs van groot belang. Met name als van de zijde van het bestuursorgaan geen medewerking wordt verleend aan het onderzoek is het prettig dat de wet daartoe verplicht. Een vorm dus van door de wet afgedwongen goed of behoorlijk bestuur. Ik denk aan de zaak van een Thailand gedetineerde Nederlander die zich door tussenkomst van zijn advocaat met een verzoek tot de Nationale ombudsman heeft gewend en waarin door de Nationale ombudsman aanvankelijk tegenwerking werd ondervonden.1 Deskundige juristen aan de zijde van de ombudsman en aan de zijde van de minister van justitie konden klare wijn schenken over de bevoegdheid van de Nationale ombudsman om het verzoek in behandeling te nemen en de verplichtingen aan de zijde van de overheid om medewerking te verlenen. De inlichtingen- en mededelingsplicht zijn vanzelfsprekend de belangrijkste. Dat dit vastligt in wettelijke bepalingen heeft werkelijk geholpen.
Naast het belang van het wettelijk vastleggen van het recht te klagen, de bevoegdheid onderzoek in te stellen en de verplichtingen van het bestuursorgaan zodra een onderzoek is ingesteld, is er een bepaling die het belang van alle andere artikelen overtreft. Dat is artikel 9:26 Awb waarin de bevoegdheid van de ombudsman tot het uit eigen beweging in stellen van een onderzoek is vastgelegd. Een bevoegdheid die voor de Nationale ombudsman correspondeert met artikel 78a, lid 1, Grondwet. De bevoegdheid onderzoek te doen uit eigen beweging maakt niet alleen grote onderzoeken mogelijk naar bijvoorbeeld schuldhulpverlening, zorg en het sociale domein, gijzelingen, behoorlijk invorderen door de overheid en inburgering maar ook kan de ombudsman individuele zaken onderzoeken zonder dat aan alle (inmiddels ouderwetse) vereisten zoals hiervoor al genoemd – schriftelijk, dagtekening enzovoort – is voldaan.