Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/3.2.2
3.2.2 Begin 21e eeuw
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633562:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Bijsterveld 2013, p. 377.
De Hart 2016, p. 7.
Prij 2013, p. 190.
Bernts (red.) 2004, p. 12, 28.
De Hart 2016, p. 7, 8.
De Hart & Dekker 2006, p. 140; Bernts (red.) 2004, p. 23, 151, 186, 191; Koffeman 2016, p. 45, 47.
Koffeman 2016, p. 45.
De Hart & Dekker 2006, p. 162; zie ook Bernts (red.) 2004, p. 185.
Van de Donk & Plum 2006, p. 33.
Dat wil zeggen, op betekenisniveau niet helder en op institutioneel niveau niet tastbaar in een georganiseerde vorm.
Hijmans, 1994, p. 9, 16, 20, 27.
De Hart & Dekker 2013, p. 247-249, 252, 253.
De plaats van religie in de Nederlandse samenleving begin 21e eeuw omschrijft Van Bijsterveld aan de hand van de steekwoorden ontkerkelijking, individualisering en pluralisme en herontdekking van sociaal kapitaal.1 Individualisering toont zich onder meer in ontzuiling, ontkerkelijking, afnemende orthodoxie, grotere pluriformiteit aan opvattingen, zelfontplooiing, individuele vrijheid en het zoeken naar ‘levensbeschouwing op maat’.2 Sociaal kapitaal doelt op de waarde van (in)formele netwerken, sociale relaties, gedeelde normen en het vermogen om contacten te leggen.3 Relaties en netwerken zijn niet alleen een indicatie maar ook een voorwaarde voor onderling vertrouwen, burgerzin en maatschappelijke betrokkenheid. Een samenleving die rijk is aan sociaal kapitaal zal dan ook soepeler functioneren.4
Naast individualisering signaleert De Hart als maatschappelijke trends de afbrokkeling van hiërarchische relatievormen, het ontlenen van normen en gezag aan directe persoonlijke contacten, het gebruik van nieuwe media zoals internet (samengevat als de ‘informaliseringstrend’) en de sterkere nadruk op de ervaringsdimensie, de gevoelswaarde van het handelen en intuïtie.5
Deze veranderingen op het gebied van religie en levensbeschouwing staan niet los van de ontwikkelingen die zich op bredere schaal op het maatschappelijke middenveld hebben voorgedaan. Confessionele organisaties bezitten immers geen aparte status meer en worden steeds meer als onderdeel van de civil society of burgersamenleving beschouwd, het maatschappelijke middenveld tussen overheid, markt en privésfeer.6 In dit middenveld dragen burgers via vrijwilligersorganisaties zonder overheidsinmenging op allerlei terreinen bij aan de samenleving. Juist in een participatiesamenleving waarin de overheid steeds meer taken teruglegt bij de burger, vervult het maatschappelijke middenveld twee functies: als platform voor publieke meningsvorming en als sociaal netwerk met groot sociaal kapitaal. Religieuze organisaties bieden daarin volgens Koffeman ‘een belangrijke plek voor moreel beraad, ontmoeting en inspiratie’.7
De Hart en Dekker vinden dat ontkerkelijking moet worden gezien in het licht van het ‘de-institutionaliseringsproces’ dat ook in andere domeinen van de samenleving aan de gang is, waarbij organisaties meer een facilitaire rol vervullen en steeds minder als ontmoetingsplaatsen voor mensen fungeren.8 De Duitse socioloog Luckmann sprak al in de jaren zestig van de vorige eeuw over ‘geprivatiseerde’ of ‘onzichtbare’ religie.9 In zijn visie doet de afbrokkeling van de traditionele vorm van godsdienst religie als universeel verschijnsel niet verdwijnen maar zij heeft nieuwe – niet-kerkelijke, niet-christelijke, niet-geïnstitutionaliseerde sociale – vormen aangenomen. In maatschappelijk opzicht wordt zij steeds meer ‘onzichtbaar’10 en wortelt zij in de privésfeer.11
Door de individualiserings- en informaliseringstrend in de samenleving toont de hedendaagse burger initiatieven vanuit een besef van eigen verantwoordelijkheid en persoonlijkheid en gaat op zoek naar de daarbij passende kanalen. Zo is er ook in het onderwijs meer de nadruk komen te liggen op ‘zelfontdekkend leren’. De relatie met tradities en met maatschappelijke organisaties is losser geworden. Maatschappelijke organisaties – met inbegrip van religieuze en levensbeschouwelijke – ervaart de moderne Nederlander als facilitaire instellingen die zich dienstbaar en klantgericht behoren op te stellen zodat de burgers zelf kunnen ontdekken wat voor hen waardevol en leerzaam is en door een vergelijkend warenonderzoek van meerdere stromingen en tradities kunnen kiezen wat op een bepaald moment bij hen past.12