Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6.2.2
4.6.2.2 Wetsvoorstel
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465584:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge 2000, p. 80-81.
OK 12 november 1998,JOR 1999, 137 (Directie AGV). Vergelijk tekstnummer 98, onder (d).
Vergelijk Van Solinge 2000, t.a.p., die meent dat de andere aandeelhouder de beschikking waarin een ruziesplitsing wordt opgelegd, tegen zich moet laten gelden (ook al is hij geen verweerder in enquête).
Art. 2: 343 lid 4 Wetsvoorstel Flex-BV luidt: ‘Bij het bepalen van de prijs van de aandelen kan de rechter desgevorderd een billijke vergoeding toepassen in verband met gedragingen van de gedaagde, of van anderen dan de gedaagde, indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig, voor rekening van eiser behoort te blijven.’ Ik meen dat in de enquêteprocedure bij de waardering van de aandelen geen aansprakelijkheidskwesties moeten worden meegenomen; de procedure is hiervoor vanwege haar aard en inrichting niet geschikt.
Art. 2: 343c lid 2 Wetsvoorstel Flex-BV luidt: ‘Partijen kunnen de rechter verzoeken bij de benoeming van de deskundige of deskundigen bepaalde aanwijzingen te geven over de in acht te nemen waarderingsmaatstaf, de datum waartegen gewaardeerd moet worden en andere omstandigheden waarmee bij de waardering rekening gehouden moet worden. Voorzover partijen niet eenstemmig zijn, beslist de rechter naar billijkheid.’
Art. 2: 343a lid 4 Wetsvoorstel Flex-BV luidt: ‘Blijft de eiser in gebreke met de levering van zijn aandelen, dan levert de vennootschap namens hem de aandelen, tegen gelijktijdige betaling.’
122. Uit het overzicht dat in hoofdstuk 4 is gegeven, blijkt dat veel impassezaken uit de eerste fase van de enquêteprocedure betrekking hebben op vennootschappen met twee of meer aandeelhouders tussen wie de verhoudingen ernstig en blijvend zijn verstoord, alsook dat er maar één reële oplossing is voor de problemen: de aandeelhouders dienen de samenwerking te beëindigen en wel in deze zin, dat een van hen zijn aandelen overdraagt aan de ander(en). In een substantieel deel van deze impassezaken vormt de totstandkoming van een minnelijke regeling (lees: het sluiten van een overeenkomst tot overdracht van aandelen) de inzet van de procedure en bestaat geen aanleiding voor het instellen van een onderzoek (omdat de feiten voldoende duidelijk zijn) respectievelijk hebben de aandeelhouders geen behoefte aan een onderzoek (te minder omdat de vennootschap, die vaak al in (grote) f inanciële problemen verkeert, de onderzoekskosten in beginsel voor haar rekening dient te nemen).
Ik meen dat het grote aantal impassezaken waar het om gaat en de specif ieke aard van de geschillen rechtvaardigen een oplossingsgerichte aanpassing in de wet door te voeren waarmee het probleem kan worden ondervangen dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is verzoeken tot bemiddeling en/of het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beoordelen indien er geen aanleiding bestaat voor respectievelijk behoefte bestaat aan het instellen van een onderzoek en waarmee tegelijkertijd wordt bereikt dat voor het bereiken van een def initieve oplossing niet langer vereist is dat de aandeelhouders een overeenkomst sluiten. Omdat de huidige enquêteprocedure eveneens wordt aangewend voor de beslechting van andersoortige geschillen, verdient het mijns inziens de voorkeur de oplossing te zoeken buiten de huidige procedure. Een mogelijkheid hiertoe is om náást de huidige enquêteprocedure een tweede verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer te introduceren (hierna: procedure B) die wordt ingeleid met hetzij een verzoek tot een gedwongen ruziesplitsing zoals door Van Solinge is beschreven1 , hetzij, in geval de vennootschap zich er bijvoorbeeld niet voor leent te worden gesplitst, een verzoek tot het starten van een biedingprocedure volgens het model van het proces-verbaal in de procedure inzake Directie AGV.2Het verzoek is gericht tegen de vennootschap. Beide alternatieven dienen met het oog op art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM een wettelijke grondslag te hebben. Het verzoek kan ook worden toegewezen tegen de wil van de andere aandeelhouder(s).3
De biedingprocedure voorziet in de (bindende) benoeming van een of meer deskundigen die de waarde van de aandelen bindend vaststellen. De deskundigen zullen bij de waardering rekening houden met alle omstandigheden die de waarde van de aandelen bepalen, met uitzondering van omstandigheden als bedoeld in art. 2: 343 lid 4 Wetsvoorstel Flex-BV (Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 2).4 Wat betreft de aan de deskundige(n) te geven aanwijzingen kan in de enquêteregeling worden verwezen naar art. 2: 343c lid 2 Wetsvoorstel Flex-BV.5 Nadat de waarde van de aandelen is bepaald, mogen beide aandeelhouders bieden op de aandelen van de ander, waarbij de door de deskundige(n) vastgestelde waarde de waarde is die ten minste geboden dient te worden. Het bod van de aandeelhouders dient vergezeld te gaan van een mededeling dat de benodigde financiering is verkregen. Degene die het laagste bod heeft uitgebracht, wordt door de Ondernemingskamer veroordeeld zijn aandelen over te dragen aan de hoogste bieder, terwijl de hoogste bieder wordt verplicht de door hem geboden prijs aan de ander te betalen. Wat betreft de naleving van de veroordeling de aandelen aan de hoogste bieder over te dragen, zijn verschillende opties denkbaar. De beschikking kan uiteraard reëel worden geëxecuteerd op een van de in art. 3: 300 BW genoemde wijzen. In de enquêteregeling kan echter ook een bepaling vergelijkbaar met art. 2: 343a lid 4 Wetsvoorstel Flex-BV worden opgenomen.6