Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.2
2.2 De evaluatie van het nieuwe verjaringsrecht
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365303:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brunner, Themis 2001, p. 248.
Het betreft: de vordering tot nakoming (art. 3:307 BW), de periodieke vordering (art. 3:308 BW), de vordering uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW), de vordering tot schadevergoeding en de contractuele boete (art. 3:310) de vordering met betrekking tot cultuurgoederen, alsook bij opeising van een roerende zaak als bedoeld in de Wet tot behoud van cultuurbezit (art. 3:310a en b) en de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking op grond van wanprestatie (art. 3:311 BW).
Er zijn uitzonderingen. Soms is de lange termijn langer dan twintig jaar. Zie de art. 3:310 lid 2, 3:310a lid 1 en 310b lid 1 (dertig jaar); 3:310a lid 2 geeft zelfs een termijn van 75 jaar. De korte termijn van art. 3:310a bedraagt slechts een jaar.
'A prescription regime has to be as simple, straightforward and uniform as possible. This is why the Principles lay down a general period of prescription covering all claims arising within the law of obligations', aldus de toelichting op art. 14:201 van de Principles of European Contract Law (zie Lando e.a 2003, p. 16213).
[1993] AC 498.
Het heeft een zekere schoonheid een onderzoeksvraag met een enkelvoudig betoog te beantwoorden. Helaas kan dat niet als de onderzoeksvraag de evaluatie van de nieuwe verjaringsregeling betreft. Dat betoog is noodzakelijk gefragmenteerd. Dit komt doordat die nieuwe verjaringsregeling nu eenmaal een behoorlijk aantal verschillende, ongelijksoortige kenmerken heeft. Ik heb de volgende acht deelvragen geformuleerd.
De oude enkelvoudige dertigjaarstermijn is in de huidige regeling vervangendoor het dubbele stelsel van een subjectieve en een objectieve termijn. De subjectieve termijn is in kwantitatief opzicht verreweg de belangrijkste verandering in het verjaringsrecht, maar substantieel verklarend en ondersteunend commentaar is er niet in grote mate. Waarom niet langer volstaan kon worden met de enkelvoudige lange termijn van het oude recht en een korte `kermisafhankelijke termijn' moest worden toegevoegd, is vrij beperkt geadstrueerd. Daarom zal de noodzaak van die korte subjectieve termijn worden onderzocht.
De objectieve termijn is onderwerp van stevige kritiek. Die kritiek is zo op het eerste oog ook wel te begrijpen; de objectieve termijn doet namelijk naar zijn aard vorderingen verjaren die de crediteur nog niet heeft kunnen instellen. Dat strookt slecht met het rechtsgevoel. Brunner beveelt de wetgever aan de objectieve termijn te schrappen en meent "dat volstaan moet worden met verjaringstermijnen die eerst lopen vanaf het moment dat het recht daadwerkelijk kon worden geldend gemaakt."1 Is dat een goed idee? Is die objectieve termijn inderdaad ondeugdelijk?
In het kader van bespreking van de objectieve termijn zal ook de bijzondere positie van de personenschade aan de orde komen. Voor personenschade is in het vijfde lid van art. 3:310 BW een bepaling opgenomen krachtens welke de objectieve twintigjaarstermijn niet geldt. Dat type vordering kan dus eeuwig blijven voortbestaan. Is die verjaringsrechtelijke uitzonderingspositie van de personenschade eigenlijk wel te verdedigen? Is de personenschade in verjaringsrechtelijk opzicht zodanig specifiek dat een aparte regeling gerechtvaardigd is?
Thans geldt als hoofdregel een termijn van twintig jaar (art. 3:306 BW), maar die is alleen van toepassing als de wet niet anders bepaalt. In de meeste gevallen bepaalt de wet wél anders: in de art. 3:307 tot en met 3:311 BW is ten aanzien van de meeste typen rechtsvorderingen2 een bijzonder regime neergelegd. Die art. 3:307 tot en met 3:311 BW kennen — met uitzondering van art. 3:308 BW — een subjectieve termijn van vijfjaar en een objectieve termijn van twintig jaar.3 Bovendien staan er elders in de wet nog bijzondere verjaringsregels.
Die opzet geeft aanleiding tot de volgende vraag: het formuleren van bijzondere bepalingen brengt met zich het probleem van kwalificatie; onder welke bepaling valt de litigieuze vordering? Dat de rechter die tussenvraag moet beantwoorden komt de rechtszekerheid niet ten goede. In Engeland en Duitsland geldt na de integrale verjaringsherziening nu één algemene verjaringstermijn, te weten een subjectieve termijn van drie jaar. Hetzelfde geldt voor de Principles of European Contract Law.4 Maken onze bijzondere bepalingen de zaak inderdaad nodeloos gecompliceerd? Is één algemene termijn ook voor het Nederlandse verjaringsrecht te prefereren?
Voor de personenschade geldt dus alleen de subjectieve vijfjaarstermijn en niet de objectieve twintigjaarstermijn, maar er zijn ook vorderingen waarvoor, andersom, uitsluitend een twintigjaarstermijn geldt en geen subjectieve vijfjaarstermijn. Art. 3:306 BW stelt immers de enkele twintigjaarstermijn als hoofdregel. Die hoofdregel mag dan vanwege de vele bijzondere bepalingen slechts voor de minderheid van gevallen gelden, uitgesloten is zijn toepasselijkheid zeker niet. Als kennelijk het getrapte stelsel met naast de objectieve twintigjaarstermijn een subjectieve vijfjaarstermijn in feite de norm is — hier even mogelijke kritiek op dat stelsel buiten beschouwing gelaten — waarom zou die norm dan niet voor die overige gevallen gelden?
Hiervoor werden vragen gesteld die men zou kunnen beschouwen als principiële kwesties; keuzes met betrekking tot de opzet van de verjaringsregeling, de getrapte structuur van subjectieve en objectieve termijnen en, wat minder fundamenteel maar toch nog wel de hoofdlijnen van de regeling betreffende, de mogelijke uitzonderingen op de regels. Er is naast dat niveau ook nog het niveau van de precieze uitwerking en formulering. Waarschijnlijk de belangrijkste vraag van verjaringsrecht is die naar het aanvangsmoment van de korte, subjectieve verjaringstermijnen. Dat aanvangsmoment is in de zo-even genoemde bepalingen voor verschillende typen vorderingen gedefinieerd. Hiervoor werd al opgemerkt dat het aanvangsmoment van de in kwantitatieve zin veruit belangrijkste verjaringstermijn, de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW, in de rechtspraak feitelijk is herschreven. Dat plaatst een vraagteken bij de woordkeuze van de wetgever: had de formulering inderdaad beter gemoeten en zo ja, hoe? Niet alleen over het aanvangsmoment van de subjectieve termijn van art. 3:310 BW, maar ook over de definities van de andere aanvangsmomenten blijkt het nodige te zeggen te zijn. Wat minder uitgebreid — want wat minder problematisch — verdient aandacht de formulering van het aanvangsmoment van de absolute termijnen.
Een andere `uitwerkingsvraag'. Het is al vaak gezegd: de lengte van een termijn heeft per definitie een zekere mate van willekeur, de keuze voor een termijn is maar beperkt voor argumentatie vatbaar, het gaat er bij termijnen primair om een duidelijke lijn te trekken, enzovoorts. Maar helemaal buiten het bereik van de redelijke gedachtevorming vallen termijnen toch ook weer niet. Omdat het zonder veel nuanceringen gezegd kan worden doe ik dat hier al: de vijf jaar van de subjectieve verjaringstermijn is te lang. Ik zal betogen dat het gelet op (i) zijn functie en (ii) het recht in de ons omringende landen drie jaar zou moeten zijn.
vii) Het nieuwe verjaringsrecht heeft ook een nieuwe stuitingsregeling gebracht. Daarvan verdienen met name twee aspecten de aandacht. Allereerst een wat `kleinere' kwestie: de nieuwe stuitingsregeling bevat geen bepaling over de stuitende werking van onderhandelingen. Bijvoorbeeld de Duitse doet dat wel, net als de WAM. Wordt die bepaling bij ons gemist? Ten tweede een meer structureel aspect: de stuitingsregeling is zo opgezet dat de crediteur zijn vordering eindeloos kan stuiten. Er is niets dat hem dwingt op enig moment te kiezen tussen het afdwingen van de vordering door een procedure te beginnen of het definitief laten rusten van de vordering. Die vrijbrief tot dralen aan de crediteur kan de debiteur ernstig bezwaren. De debiteur wordt daardoor immers gedwongen zijn bewijs- en vermogenspositie tot in lengte van dagen te bewaren. Het is de vraag of dat wenselijk is.
viii) Een veelgehoord punt van kritiek op het huidige verjaringsrecht is dat niet alleen door de uitgebreide reparatiewetgeving, maar ook door de ingrijpende corrigerende rechtspraak de consistentie zoek zou zijn. Dat die consistentie inderdaad zoek kan raken bewijst bijvoorbeeld het tot voor kort geldende Engelse recht, waar in Stubbing v. Webb5de vordering tegen de seksueel misbruikende oom al wel, maar tegen de niet-ingrijpende moeder nog niet verjaard was. Dat kwam doordat tegen de oom en de moeder verschillende actions moesten worden ingesteld en de verjaringsregimes van die actions uiteenliepen. Is ons verjaringsrecht op vergelijkbare wijze innerlijk onverenigbaar?
Tot zover de deelvragen op basis waarvan een algemeen oordeel over het nieuwe verjaringsrecht zal worden uitgesproken. Nu de vragen van uitleg van het nieuwe verjaringsrecht.