Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.3:17.3.2.3 Relatie met de Straatsburgse rechtspraak over cautieplicht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.3
17.3.2.3 Relatie met de Straatsburgse rechtspraak over cautieplicht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495787:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitgezonderd (undercover)situaties waarin op heimelijke wijze mondelinge verklaringen van de verdachte werden ontfutseld, betreffen de uitspraken van het EHRM waarin wordt geklaagd over schending van het zwijgrecht, mondelinge verklaringen die in directe confrontaties met de verdachte werden gevorderd. Het Hof leest een cautieplicht in art. 6 EVRM. Dit ter onderscheiding van de opvatting dat een nationaalrechtelijke cautieplicht bijdraagt aan de realisatie van het (EVRM-)zwijgrecht. Dat geldt vooral wanneer het recht op verhoorbijstand ex art. 6, lid 3, onder c EVRM niet voldoende is gewaarborgd.1
Betekenis voor de cautieplicht in Nederlandse fiscale boetezaken
Omdat het Hof een cautieplicht in art. 6 EVRM leest, is de beperkte (materiële en temporele) werkingssfeer van het boeterechtelijk zwijgrecht ex art. 5:10a, lid 1 Awb ook in dit opzicht problematisch. De in lid 2 vastgelegde cautieplicht is immers een-op-een gekoppeld aan het boeterechtelijk zwijgrecht. Wanneer het Hof ook of zelfs een cautieplicht aanneemt buiten directe confrontaties tussen de autoriteiten en de verdachte (vgl. een schriftelijk verhoor), dan wordt deze koppeling in art. 5:10a Awb des te problematischer als het boeterechtelijk zwijgrecht beperkt is tot directe confrontaties tussen de boeteling en de inspecteur, maar dit lijkt niet het geval.2
Zou het Hof geen op art. 6 EVRM steunende cautieplicht hebben aangenomen, dan zou het eigenlijke probleem in het beperkte toepassingsbereik van het boeterechtelijk zwijgrecht hebben gezeten, waaraan de cautieplicht zoals gezegd is gekoppeld. Dat zwijgrecht voldoet op zichzelf (dat wil zeggen los van eventuele bewijsuitsluiting van mogelijk belastende verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR (zie § 17.4 hierna)), niet aan de minimumwaarborgen die het Hof aan het zwijgrecht (als weigeringsgrond voor medewerking) stelt.