Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.2:17.3.2.2 Schriftelijke vragen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.2
17.3.2.2 Schriftelijke vragen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500693:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 98.
Zie de vorige noot.
CBb 2 februari 2010, AB 2010/317 (m.nt. Jansen). De OPTA is per 1 april 2013 opgegaan in de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Fibbe 2011, p. 39, met verwijzing naar Peek/Tonino 2010, supra noot 13, p. 151.
Fibbe 2011, p. 39.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 17.3.1.2.3 kwam ter sprake dat het stellen van schriftelijke vragen volgens de wetgever een (feitelijke) verhoorsituatie ex art. 5:10a Awb kan opleveren. Wanneer dat niet zo is – en dat is volgens de wetgever gewoonlijk het geval –, dan hoeft de cautie niet te worden gegeven.1 De wetgever koppelt deze regel aan de ratio van de cautie. Die beoogt zoals gezegd te voorkomen dat de betrokkene onder druk verklaringen aflegt, waarvan niet kan worden gezegd dat die in vrijheid zijn afgelegd. Van schriftelijke vragen gaat in de regel veel minder druk uit om te antwoorden. Dit vanwege het ontbreken van een directe confrontatie met de ondervrager. In bijzondere omstandigheden kan van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden uitgaan, dat de facto wel sprake is van een verhoor.2
CBb neemt cautieplicht voor schriftelijke vragen aan
Evenals geldt voor het EHRM heeft de belastingkamer van de HR zich tot op heden niet uitgelaten over de vraag of bij schriftelijke vragen de cautie moet worden gegeven. Buiten belastingzaken zie men de uitspraak van het CBb van 2 februari 2010, nr. AWB 08/923. Daarin neemt het college een cautieplicht aan voor schriftelijke vragen die de OPTA stelde aan (een bestuurder van) een verdachte rechtspersoon.3 Van de wettelijke verplichting om die vragen te beantwoorden, zou volgens het College een zo grote druk uitgaan om te verklaren, dat de betrokkene zich bevond in een situatie die materieel gelijk kan worden gesteld aan een verhoor. Of de belastingkamer van de HR eenzelfde lijn zal volgen en in bijzondere omstandigheden een cautieplicht voor schriftelijke vragen zal aannemen, is ongewis. Dat geldt vooral omdat de juridische grondslag daarvoor weinig duidelijk is.
Naar aanleiding van de zojuist genoemde uitspraak van het CBb wijst Fibbe erop dat het begrip ‘verhoor’ een wat ruimere betekenis lijkt te krijgen.4 Wanneer schriftelijke vragen worden gesteld, kan het daarom nuttig zijn om nauwkeurig te onderzoeken op welke wijze de schriftelijke vraagstelling tot stand kwam, wat daarvan de voorgeschiedenis was en of de schriftelijke vragen door mondelinge toelichting werden begeleid. Ook de al dan niet bestaande verplichting om schriftelijke vragen te beantwoorden, is een factor van gewicht. Dat alles is van belang, aldus Fibbe, omdat daaruit kan blijken van een druk om op de vragen te antwoorden, die zo groot is dat materieel gesproken moet worden van een verhoor. Anders gezegd: hoe groter de druk is om op schriftelijke vragen te antwoorden, hoe groter ook de kans is dat het recht om dat niet te doen, bestaat.5