Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.3
5.3 Uitwinning van aandelen in het algemeen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706283:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens kan bij aandelenverpanding de grosse van de notariële pandakte dienen als een executoriale titel voor verhaal op andere goederen (art. 430 lid 1 Rv). Daarbij geldt de eis dat de te executeren vordering met voldoende bepaaldheid in de akte is omschreven. Vgl. (hypotheekakte) HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889 (Rabobank/Donselaar); HR 26 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0646 (Rabobank/Visser).
Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/156; Reehuis & Heisterkamp 2019/746.
Of wanneer de nakoming niet meer mogelijk is. Daarvan kan bij de betaling van een geldsom geen sprake zijn.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 293.
HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4358 (Fraanje/Götte Beheer).
Bij grote of complexe acquisitiefinancieringen, maar ook bij gesyndiceerde leningen aan het midden marksegment of grote bilaterale leningen wordt er in de praktijk gebruik gemaakt van de Senior Multicurrency term and revolving facilities agreement for leveraged acquisition finance transactions (Senior/Mezzanine), voor leden beschikbaar via www.lma.eu.com.
Bij concernfinanciering wordt er soms bepaald dat een event of default bij de ene groepsvennootschap een event of default oplevert van de andere groepsvennootschap, een zogenoemde cross default-bepaling.
Dat is bewust soepeler dan de regeling van hypotheek, wat wordt verdedigd met het voorbeeld van snel in waarde dalende goederen zoals genoteerde effecten, zie Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 778 (nr. 4) en Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1341 (nr. 6).
Partijen kunnen van deze regel afwijken bij een niet-consumentenkoop.
189. Als de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de schuld waarvoor het pandrecht tot waarborg strekt, mag de pandhouder het verpande goed verkopen en het hem verschuldigde verhalen op de opbrengst (art. 3:248 lid 1 BW). De pandhouder kan dat doen zonder dat hij voorafgaand beslag hoeft te leggen, en zonder dat hij daarvoor een executoriale titel hoeft te halen.1 Hij heeft het recht van parate executie.2 Is het pandrecht gevestigd bij de verlening van krediet, dan zal hij tot verkoop mogen overgaan in geval van verzuim bij de aflossing van de verstrekte financiering of de betaling van rente. Van verzuim is sprake als er niet wordt nagekomen terwijl de betaling wel opeisbaar is, tenzij de vertraging niet kan worden toegerekend aan de schuldenaar (art. 6:81 BW).3 Het verzuim treedt vervolgens pas in na een schriftelijke ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1 BW). Deze mededeling kan echter in belangrijke gevallen achterwege blijven, zoals wanneer de schuldenaar kenbaar maakt dat hij tekort zal schieten, of wanneer sprake is van een fatale termijn voor nakoming (art. 6:83 onderdeel a en c BW). Of daarvan sprake is, is een kwestie van uitleg. Wanneer boetes zijn gesteld op een tekortkoming in de nakoming, wijst dat mijns inziens sterk in de richting van een fatale termijn.4 Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid kan uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval voortvloeien dat sprake is van een fatale termijn.5 In zulke gevallen treedt verzuim in zonder dat nog een aanmaning is vereist, zodat de pandhouder meteen bevoegd is tot uitwinning van de verpande aandelen.
Bij (complexe) bedrijfsfinanciering komt het voor dat er allerlei incidentele, periodieke en doorlopende verplichtingen rusten op de verschillende schuldenaren.6 Deze bepalingen beogen de financier(s) te beschermen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om garanties, verklaringen door schuldenaren, informatieverplichtingen, verplichtingen tot het voldoen aan bepaalde financiële ratio’s, en algemene verplichtingen om iets wel of niet te doen. In de kredietovereenkomst worden dan gronden bepaald waarop de financier mag overgaan tot opeising van het krediet. Deze worden soms aangeduid met de Engelse benaming events of default. Een tekortkoming in de nakoming van een van de hiervoor genoemde beschermingsbepalingen kan dan een event of default opleveren en resulteert wanneer de tekortkoming voortduurt resulteren in de onmiddellijke opeisbaarheid van de verstrekte financiering.7 Raakt de schuldenaar vervolgens in verzuim bij de terugbetaling daarvan, dan is de pandhouder bevoegd tot pandexecutie van zijn zakelijke zekerheden. Zou de pandgever dit verstrekkende gevolg willen voorkomen, dan kan hij bedingen dat de pandhouder pas kan overgaan tot executoriale verkoop nadat de rechter op vordering van de pandhouder heeft vastgesteld dat de schuldenaar in verzuim is (art. 3:248 lid 2 BW).
190. Als de pandhouder wil overgaan tot executoriale verkoop, is hij in beginsel verplicht om de pandgever en bepaalde anderen daarover in te lichten. Artikel 3:249 BW bepaalt dat de termijn tussen deze mededeling en de voorgenomen verkoop ten minste drie dagen moet zijn. De personen die de pandhouder op de hoogte moet stellen zijn: de schuldenaar, pandgever, eventuele andere beperkt gerechtigden, en beslagleggers. Bij het doen van de mededeling is de pandhouder verplicht om de tijd, plaats en wijze van verkoop te vermelden. In een beding tussen de pandgever en de pandhouder kan van deze verplichting worden afgeweken.8 De pandhouder kan de aandelen openbaar verkopen, of op een daarvan afwijkende manier (art. 3:250 en 3:251 BW). Voor een van openbare verkoop afwijkende executiewijze heeft hij de toestemming nodig van de rechtbank, of na verzuim de toestemming van de pandgever (§5.6). Uiterlijk de dag na de succesvolle executie is de pandhouder verplicht om de hiervoor genoemde personen op te hoogte te stellen van de gesloten (koop)overeenkomst (art. 3:252 BW). Ook van deze verplichting kan worden afgeweken bij beding tussen de pandgever en pandhouder. Na de executie kan de pandhouder in beginsel niet aansprakelijk worden gehouden door een executiekoper voor de omstandigheid dat de aandelen zijn behelpt met een last of een beperking die er niet op had mogen rusten, of dat ze niet beantwoorden aan de overeenkomst (art. 7:19 lid 2 jo. 7:47 BW).9