Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.5.4
15.5.4 Bewijsrecht en cassatie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940218:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of het bewijs van het begaan van het beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ is geleverd, is uiteindelijk een zuivere waarderingskwestie, die is voorbehouden aan de feitenrechter.
Zie HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.2.2.
HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293. Zie voorts paragraaf 14.3.1, paragraaf 14.4.1, paragraaf 14.4.4.3.1 en de verwijzingen aldaar.
Op dat punt vervult hij overigens geenszins een ondergeschikte rol. Het tegendeel is eerder waar: de Hoge Raad heeft de afgelopen decennia herhaaldelijk richting gegeven aan de ontwikkeling van het bewijsrecht in boetezaken. Ik noem arresten zoals bijvoorbeeld HR 30 september 2011, BNB 2012/13, HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, (bewijsobject bij (voorwaardelijk) opzet, zie paragraaf 6.4.3 en paragraaf 9.3.2.1), HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 (gebruik van bewijsvermoedens, zie paragraaf 10.4.2 en paragraaf 10.4.3), de toerekeningsarresten van 1 december 2006 (besproken in paragraaf 9.3.4.1) en HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10 (inzake de vereiste bewijsgradatie).
Zie over de juridische betekenis van deze begrippen nader paragraaf 6.4, paragraaf 6.5 en paragraaf 9.4.
HR 3 mei 1989, BNB 1989/256, r.o. 4.3.
De beperkte toetsing in cassatie brengt mee dat de Hoge Raad de boeteoplegging als zodanig niet of nauwelijks inhoudelijk kan beoordelen. Aan de boete legt de inspecteur of de feitenrechter immers een veelheid aan feitelijkheden ten grondslag, welke de Hoge Raad in cassatie als vaststaand zal aannemen. De vraag of uit die vaststaande feiten voldoende overtuigend bewijs naar voren komt voor het opleggen van een boete, zal slechts zeer terughoudend kunnen worden getoetst, omdat de feitenrechter vrij is in de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen.1 Die waardering kan in cassatie alleen getoetst worden op begrijpelijkheid.2 Ook ten aanzien van de perifere stellingen kan de Hoge Raad de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen van de feitenrechter slechts marginaal toetsen.
Iets vergelijkbaars geldt voor de hoogte van de opgelegde boete: de feitenrechter vormt zich eigenstandig een oordeel over welke strafmaat in het concrete geval passend en geboden is. Alleen wanneer het oordeel van de feitenrechter onbegrijpelijk is of onvoldoende is gemotiveerd, zal de Hoge Raad ingrijpen.3 Als dat inderdaad gebeurt, zal de zaak veelal ter verdere beoordeling worden verwezen naar een andere feitenrechter.
De Hoge Raad kan zich zelf in feite slechts uitspreken over de toepassing van de regels van het bewijsrecht door de feitenrechter. Over die rechtsregels kan in cassatie immers wel worden geklaagd.4 Datzelfde geldt voor de rechtsnormen die de feitenrechter aanlegt bij de beoordeling van de centrale en perifere stellingen. De Hoge Raad toetst of de rechter bij zijn oordeelsvorming is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting ten aanzien van bijvoorbeeld de betekenis van de begrippen opzet, grove schuld, medepleger, pleitbaar standpunt of vrijwillige verbetering.5
Verder is voor wat betreft de bewijsvoering van belang dat de boeteling zijn feitelijke grieven tegen de boete tijdig moet aanvoeren, te weten voor de feitenrechter in (hoger) beroep. Dat geldt zowel voor de centrale stellingen als voor de perifere stellingen. Wanneer de boeteling in cassatie pas voor het eerst klaagt over bijvoorbeeld het schenden van de mededelingsplicht, zal de Hoge Raad die klacht buiten beschouwing laten. De beoordeling vergt immers een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats meer is.6