Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/23.3.2.1:23.3.2.1 Bouwen tegen een scheidsmuur
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/23.3.2.1
23.3.2.1 Bouwen tegen een scheidsmuur
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487248:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 5:67 luidt:
Iedere mede-eigenaar mag tegen de mandelige scheidsmuur aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere werken aanbrengen, mits hij aan de muur en aan de door de muur bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt.
Behalve in noodgevallen kan een mede-eigenaar vorderen dat, voor de andere mede-eigenaar begint met aanbrengen van het werk, deskundigen zullen vaststellen op welke wijze dit kan geschieden, zonder nadeel voor de muur of voor bevoegd aangebrachte werken van de eerst vermelde eigenaar.’1
Het eerste lid stemt overeen met art. 684 BW (oud).
De bepaling heeft, volgens Meijers, naast art. 3:169 zin nu aldus wordt geregeld dat een mede-eigenaar de muur – voor de doelen als in het artikel omschreven – slechts mag gebruiken voor zover het de naar hem toegekeerde zijde van die muur betreft.2 Ik verschil hier van mening met Meijers. Naar mijn oordeel vloeit de bevoegdheid om slechts ‘lokaal’ gebruik te maken van de muur reeds voort uit de aard van het werk. Overigens: moet de conclusie zijn dat aan niet-bevoegdelijk aangebrachte werken wel nadeel toegebracht zou mogen worden? De vraag laat zich stellen: wat zijn bevoegdelijk aangebrachte werken? Zie ik het goed dan dient het antwoord te luiden:
werken die met toestemming van de nabuur zijn aangebracht;
werken die ex lege mogen worden aangebracht (bijvoorbeeld: balken, ribben, goten).
De werken waarover in dit lid wordt gesproken zijn werken van geringe aard. Aanbrenging van deze werken brengt geen wijziging van de eigendomstoestand teweeg.
Het tweede lid komt overeen met art. 689 lid 2 BW (oud).
Het nut van deze bepaling is daarin gelegen dat de mede-eigenaar die tot de bouw van werken/gebouwen die de eigendomssituatie zouden veranderen wenst over te gaan gedwongen kan worden mee te werken aan de benoeming van een deskundige die de ‘nodige middelen beraamt’ zodanig dat het werk aan de door de buurman bevoegdelijk aangebrachte werken geen nadelen toebrengt. Voordat de deskundige een advies heeft afgegeven mag niet met de bouw worden aangevangen.3 Tijdens de parlementaire behandeling werd naar de inhoud van de termen ‘nodige middelen beraamt’ gevraagd. Het antwoord luidt:
‘het uitdenken van de nodige middelen ter voorkoming van nadeel, opdat de vereiste maatregelen tijdig kunnen worden genomen.’4
Voorafgaande toestemming van de nabuur is niet nodig.5
Ik verwijs terzake de toepassing van dit artikel naar het vorige hoofdstuk. Ik acht de mogelijke gevolgen van handelingen als hiervoor omschreven van een dusdanig groot belang (een vrijstaande muur kan een niet vrijstaande muur worden met als gevolg dat de eigendomssituatie wijzigt) dat medewerking van de nabuur altijd nodig is. Vervangende toestemming kan door de rechter worden verleend (vgl. art. 3:168 lid 2).