Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.2.3
3.2.3 Zelfstandige antichrese
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264553:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,32,14; Donellus, Commentariorum in Titulos Digestorum I, nr. 1417-1418 (ad D. 22,1); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani III, p. 1515-1516 (ad C. 8,43(42),20).
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 43-44.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 48-49.
Génestal 1901, p. 22-24; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 336-338 en 342.
Heusler 1886, p. 129-131 en p. 140-142; Génestal 1901, p. 46, 48 en 52-53; Landwehr 1967, p. 377-379; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 4; Brühwiler 1984a, p. 685; Brühwiler 1984b, p. 1120-1121; Levy 1987, p. 246; Godding 1987, p. 365, 367-368 en 373; Ligthart 2014, p. 61.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 374.
Over zulke aflossingsverboden meer in §3.4.3.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Infortiatum, p. 1837-1838 (ad D. 36,4,5,21); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,33 en D. 20,1,11,1; Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.2.12.
Forster 2009, p. 223.
Er waren verschillende rechtsfiguren die niet kwalificeerden als een pandrecht, maar aan een schuldeiser wel de bevoegdheid toekenden om een zaak van de schuldenaar te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. De auteurs die ik voor dit hoofdstuk heb bestudeerd, brachten deze rechtsfiguren echter niet met elkaar in verband. Het zelfstandige recht van antichrese was in het ius commune dus geen samenhangende rechtsfiguur. In deze paragraaf bespreek ik enkele rechtsfiguren die naar mijn mening kwalificeren als een zelfstandig recht van antichrese.
Ten eerste kon een zelfstandige antichrese ontstaan op grond van een overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar. Bij zo’n overeenkomst ontstond geen pandrecht. Wel ontstond een recht van gebruik en vruchttrekking dat afhankelijk was van de vordering waarvoor het was gevestigd. Vermoedelijk was in zo’n geval sprake van een verbintenisrechtelijke rechtsfiguur.1
Ten tweede kon een recht van zelfstandige antichrese ontstaan door de vestiging van een pandrecht, waarbij partijen de gesecureerde vordering niet-opeisbaar maakten. Dit was in de praktijk in het bijzonder van belang bij het vestigen van een zekerheidsrecht op leenrechten. Negusantius besteedde hier aandacht aan. Problematisch aan leenrechten was dat zij slechts overdraagbaar of verpandbaar waren als de leenheer daarvoor toestemming gaf.2 Als de leenman zonder deze toestemming een pandrecht vestigde, bracht dit volgens Negusantius mee dat niet een pandrecht ontstond, maar wel een recht van zelfstandige antichrese met verbintenisrechtelijke werking.3
Deze opmerkingen van Negusantius stemden overeen met veel lokale rechtspraktijken. Het recht van zelfstandige antichrese kwam voor in de vorm van een pandrecht waarbij de bevoegdheid tot executoriale verkoop en vervreemding door de pandhouder was uitgesloten. De overdracht van onroerende zaken en leenrechten daarop was in sommige inheemse rechtsstelsels bovendien uiterst moeilijk of onmogelijk, zelfs als de leenheer toestemming gaf.4 De lokale rechtspraktijken gaven dan ook de voorkeur aan een zelfstandig recht van antichrese in plaats van een recht van pandgebruik. Toch gebruikten zij in aktes van vestiging vaak het woord pignus. Zij sloten de executiebevoegdheid van de zekerheidsgerechtigde echter uit door de gesecureerde vordering niet-opeisbaar te maken. Deze niet-opeisbaarheid kwam tot uitdrukking doordat partijen geen termijn overeenkwamen waarbinnen de schuldenaar de gesecureerde vordering moest terugbetalen. Hiermee kwam een recht van pandgebruik tot stand dat de zekerheidsgerechtigde nooit kon executeren. Feitelijk was dus een recht van zelfstandige antichrese tot stand gekomen.5
Een voorbeeld van een transactie waarbij partijen geen termijn overeen waren gekomen waarbinnen de schuldenaar de gesecureerde vordering moest terugbetalen, is de verpanding van een tiende te Ruslede, Vlaanderen (1247).6 In de akte was opgenomen dat de schuldenaar de gesecureerde vordering niet binnen tien jaar mocht voldoen.7 Na het verstrijken van deze tien jaar kon de schuldenaar de gesecureerde vordering voldoen. Hij kon ieder jaar echter alleen betalen in de maand oktober (tussen St. Remigius en Allerheiligen). De schuldenaar was bevoegd tot terugbetaling, maar hij was hiertoe niet verplicht.
Ten derde kreeg een beslaglegger een zelfstandig recht van antichrese naar analogie van het recht van pandgebruik.8 De beslaglegger kon in het bezit gesteld worden van goederen van de schuldenaar. Dit werd wel aangeduid als missio ex primo decreto. Dit vormde de opmaat voor de executie van het vermogen van de schuldenaar. De schuldeiser kon de bevoegdheid tot executie echter alleen verkrijgen op grond van een tweede decreet, het secundum decretum.9 De beslaglegger die het bezit had verkregen over de goederen van de schuldenaar op grond van missio ex primo decreto kreeg een zelfstandig recht van antichrese. De beslaglegger diende de goederen te gebruiken en de vruchten te trekken, opdat de waarde ervan in mindering kwam op de vordering waarvoor het beslag was gelegd.