Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.3:10.4.3 Bevoegdheden en rollen van professionele actoren in het nieuwe model
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.3
10.4.3 Bevoegdheden en rollen van professionele actoren in het nieuwe model
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. het huidige artikel 492 Sv.
Hiervoor dient de figuur van de ‘jeugdofficier’ een wettelijke grondslag te krijgen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgestelde nieuwe model zijn het de rechter-commissaris en raadkamer die bevoegd zijn om, op vordering van de officier van justitie, voorlopige preventieve maatregelen te bevelen respectievelijk te verlengen. De rechter-commissaris en raadkamer kunnen niet ambtshalve overgaan tot het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen, maar als de officier een vordering tot voorlopige preventieve maatregelen indient, staat het de rechter vrij om in zijn bevel andere voorlopige preventieve maatregelen op te nemen dan in de vordering staan. Vervolgens heeft ook de officier de vrijheid om bij een vordering tot verlenging van het bevel tot voorlopige preventieve maatregelen, andere dan de lopende, in het eerdere bevel opgenomen voorlopige preventieve maatregelen te vorderen. Voorts kan ook de raadkamer bij haar beslissing tot verlenging van een eerder afgegeven bevel tot voorlopige preventieve maatregelen wijzigingen aanbrengen in de invulling van dit bevel: de raadkamer kan bij de verlenging van het bevel specifieke voorlopige preventieve maatregelen schrappen en/of toevoegen (zie par. 10.4.6). In deze context is het een kinderrechter die als rechter-commissaris voorlopige preventieve maatregelen beveelt ten aanzien van een minderjarige verdachte.1 In de raadkamer die oordeelt over de verlenging van een bevel tot voorlopige preventieve maatregelen van een minderjarige verdachte neemt tenminste één kinderrechter plaats. De officier van justitie die een voorlopige preventieve maatregel vordert ten aanzien van een minderjarige verdachte betreft een jeugdofficier.2
Voordat de officier van justitie overgaat tot een vordering van een voorlopige preventieve maatregel, slaat hij acht op de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming. Indien op dat moment nog geen rapportage beschikbaar is, wint de officier van justitie inlichtingen in bij de Raad omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de minderjarige. Ook de rechter-commissaris en raadkamer slaan acht op de rapportage van de Raad voordat zij een beslissing nemen over de vordering tot een voorlopige preventieve maatregel ten aanzien van een minderjarige verdachte. De Raad stelt deze rapportage op tijdens de inverzekeringstelling van de minderjarige (vgl. de rapportage IVS-2A), waarin de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige – waaronder de risicofactoren en beschermende factoren – in kaart worden gebracht, een inschatting wordt gemaakt van het (acute) recidivegevaar en een advies wordt uitgebracht of en zo ja, welke (combinatie van) voorlopige preventieve maatregel(en) nodig zijn om het eventuele recidivegevaar af te wenden, waarbij de Raad rekening houdt met de leeftijd en ontwikkeling van de minderjarige en de daarmee samenhangende behoeften. Indien de rechter-commissaris een voorlopige preventieve maatregel beveelt, stelt de Raad vervolgens ook een advies op ten behoeve van de eerste raadkamer, waar over de mogelijke verlenging van de voorlopige preventieve maatregel wordt beslist. Hierbij maakt de Raad gebruik van de meest recente informatie van de jeugdreclassering die de minderjarige begeleidt en/of de gedragsdeskundige van de justitiële jeugdinrichting waar de minderjarige verblijft.
De rechter-commissaris en raadkamer kunnen de jeugdreclassering opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorlopige preventieve maatregel(en) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Indien de jeugdreclassering constateert dat de minderjarige een voorlopige preventieve maatregel niet naar behoren naleeft, kan zij de officier van justitie daarvan in kennis stellen. De officier van justitie kan vervolgens een vordering tot wijziging (lees: aanscherping c.q. verzwaring) van de voorlopige preventieve maatregelen indienen bij de rechter-commissaris of raadkamer die het eerdere bevel heeft afgegeven (zie par. 10.4.6).