Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.1
1.1 De verankering van rechten met een religieus object in de nationale rechtsorde
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458829:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de Staatsregeling van 1798 werd voor het eerst het beginsel opgenomen van de vrijheid tot het openlijk belijden van elke godsdienst en het houden van gemeenschappelijke godsdienstoefening, mits binnen de daartoe bestemde gebouwen, onder voorbehoud dat de openbare orde, door de Wet gevestigd, door de ‘uiterlijke eerdienst’ nimmer zou mogen worden gestoord. Zie HR 13 april 1960, NJ 1960, 436, m.nt. Röling.
De Bruijn 2004, p. 64.
De termen grondrechten, mensenrechten en fundamentele rechten worden, zoals vrij gebruikelijk, in dit proefschrift als synoniemen gebruikt.
En door art. 18 IVBPR (Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van de VN uit 1966). Het eerste lid van art. 9 is ontleend aan art. 18 UVRM (Universele Verklaringen Rechten van de Mens van de VN uit 1948) en stemt er woordelijk mee overeen. De opstellers van het EVRM hebben nauwe aansluiting gezocht bij de codificatiewerkzaamheden van de Verenigde Naties op het gebied van mensenrechten. Zie Van Boven 1967, p. 220. De formulering van art. 18 IVBPR is nagenoeg gelijk aan de formulering van art. 9 EVRM. De lading van deze bepalingen is dan ook dezelfde. Zie ook Vermeulen 2007, p. 29, 33. Vanwege de bindende kracht van de uitspraken van het EHRM naar aanleiding van art. 9 EVRM is art. 18 IVBPR minder relevant en wordt in dit onderzoek daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Pel betoogt dat de definitieve autonomie van kerkgenootschappen ontstaat in 1870 wanneer de Koning definitief alle aanspraken op de inrichting van de kerkgenootschappen opgeeft: Pel 2013, p. 19. Zie ook Bos 2009.
Oldenhuis 2008, p. 5. Zie o.a. Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127; HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173, m.nt. H.J. Snijders (Arbeidsovereenkomst predikant), EHRM 8 september 1988, nr. 12356/86 (Karlsson v Sweden). Zie anders: HvJ EG 5 oktober 1988, C-196/87 (Udo Steymann v Staatssecretaris van Justitie).
De Bruijn 2004, p. 64. Zie ook: Mentink & Vermeulen 2011; Van der Ploeg 2000.
Sinds de Unie van Utrecht (1579) bestaat er in Nederland een codificatie van wat men nu het grondrecht op de godsdienstvrijheid pleegt te noemen. Aanvankelijk had deze vrijheid vooral betrekking op de privésfeer van het individu (gewetensvrijheid); later kreeg zij ook betekenis voor het publieke domein.1 Door de geschiedenis heen heeft de godsdienstvrijheid zich op het niveau van formele wetgeving langzamerhand en met tussenpozen gedifferentieerd in tal van rechtsgebieden. Met name ten tijde van de verzuiling heeft de wetgever meerdere bepalingen in de wet opgenomen die de ‘godsdienstige burger’ op individuele of collectieve basis de ruimte bieden om het leven conform de beleden godsdienst in te richten.2 Het grondrecht3 op vrijheid van godsdienst is tegenwoordig op algemene wijze geformuleerd in artikel 6 Grondwet. Daarnaast wordt de godsdienstuitoefening in de nationale rechtsorde beheerst door het fundamentele recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst zoals geformuleerd in artikel 9 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM)4 en sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 ook door het gelijknamige en identieke grondrecht geformuleerd in artikel 10 lid 1 EU-handvest.
Vanuit nationaal perspectief is artikel 6 Grondwet te beschouwen als een ‘moederrecht’ waaruit verschillende rechten met een religieus object zijn afgeleid. Deze rechten treft men aan in de meest uiteenlopende rechtsgebieden. Twee belangrijke rechtsgebieden waarin de burger op collectieve basis op grond van religieuze identiteit bepaalde rechten geniet zijn het burgerlijk recht, op basis van de daarin opgenomen rechtspersoon van het kerkgenootschap (artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek (BW)) en het onderwijsrecht. De autonomie van kerkgenootschappen gaat terug tot de grondwetsherziening van 1848, uitgewerkt in de Wet op de kerkgenootschappen van 1853.5 Op grond van hun eigen statuut genieten kerkgenootschappen meerdere voorrechten en zijn ze vrijgesteld van een aantal dwingende wettelijke bepalingen die (wel) gelden voor andere rechtspersonen. Het civiele arbeidsrecht is bijvoorbeeld niet onverkort van toepassing op de arbeidsverhouding tussen een kerkgenootschap en zijn voorganger.6 De erkenning van een bijzondere status op basis van een religieuze identiteit blijkt ook uit het bestaan van het bijzonder onderwijs. De sterke status van het godsdienstig bijzonder onderwijs is het resultaat van de ‘schoolstrijd’ in de 19e en 20e eeuw tussen liberale en confessionele politieke partijen. Doordat katholieke en protestantse groeperingen zich in de politiek begaven konden ze via de volksvertegenwoordiging bepaalde rechten voor hun achterban bewerkstelligen. Zo werden het bijzonder en openbaar onderwijs in de Grondwet (1917) financieel aan elkaar gelijkgesteld en kregen bijzondere scholen een grote mate van autonomie ten aanzien van onder andere het aanstellen van leerkrachten, de selectie van scholieren en de keuze van de leermiddelen.7 Uit de rechten van kerkgenootschappen, bijzondere scholen en andere organisaties zijn weer andere rechten voortgekomen die invulling geven aan de uitoefening van godsdienst. We komen deze rechten tegen in een verscheidenheid aan wetten, zoals de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet openbare manifestaties (Wom), de Wet medezeggenschap op scholen (WMS), de Mediawet, etc.