Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.3.1.1
20.3.1.1 Carrier 1
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410255:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 26 juli 2005 en Hof Amsterdam 5 november 2005, JOR 2007/51, (Carrier 1). Het centrale idee van het akkoord is dat de schuldenaar aan zijn gezamenlijke schuldeisers een ontwerpakkoord kan aanbieden, dat – indien een meerderheid van stemgerechtigde (concurrente) schuldeisers het aanneemt – werking verkrijgt als de rechter het homologeert. Zodra de beschikking houdende de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement, de surseance of de schuldsaneringsregeling (Wessels Insolventierecht VI, 3e druk, 2010). Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de erkende en toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen (art. 268 Fw). In afwijking van art. 268 Fw kan de rechtbank of, zo die is benoemd, de rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien (a) drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en (b) de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen (art. 268a Fw).
Zie par. 14.2.
Zie HR 26 augustus 2003, JOR 2003/211 (ICH/UPC). Bartman wijst hier op in zijn JOR-noot onder de hof-uitspraak inzake Carrier 1.
Orval & De Groot 2011, p. 103.
Aldus ook De Weijs 2010a, p. 320.
In het kader van de homologatie van een akkoord in de zin van art. 252 Fw kreeg de Rechtbank Amsterdam in 2005 de vraag voorgelegd of een door een aandeelhouder verstrekte lening een bijzondere behandeling verdiende.1Carrier 1 BV verkeerde in surseance van betaling en had aan haar schuldeisers een akkoord aangeboden, op grond waarvan al haar crediteuren 33 procent van hun vordering zouden ontvangen, maar haar moedervennootschap slechts 5,6 procent van haar aan Carrier 1 verstrekte krediet. De moedervennootschap stemde daarom niet in met het akkoord en bestreed de homologatie daarvan bij de rechtbank. Zij voerde daartoe aan dat het akkoord in strijd was met de paritas creditorum. De rechtbank overwoog dat slechts in bijzondere omstandigheden een ongelijke behandeling van schuldeisers gerechtvaardigd kon zijn en dat in beginsel een lening van een moeder aan een dochter niet als achtergesteld werd aangemerkt. Daartoe kon echter wel aanleiding bestaan als de door de moeder verstrekte lening moest worden aangemerkt als een “informele kapitaalverschaffing”. Daarvan zou sprake zijn indien de lening “wordt verstrekt op een moment dat en onder voorwaarden die een willekeurige derde niet zou aanvaarden”. Nu op de door de moeder verstrekte lening nimmer was afgelost, en Carrier 1sinds haar oprichting steeds een negatief resultaat had geboekt, diende, aldus de rechtbank, de vordering van de moeder (in ieder geval deels) te worden aangemerkt als informele kapitaalverstrekking en dus als achtergesteld. De rechtbank achtte het akkoord daarom niet onaanvaardbaar. Het hoger beroep van de moedervennootschap werd afgewezen, nu het door de rechtbank gehomologeerde akkoord volgens het hof het “enig haalbare compromis” was.
De redenering van de rechtbank die ten grondslag lag aan de feitelijke achterstelling van de vordering van de moedermaatschappij, sluit nauw aan bij het oude Duitse recht inzake kapitaalvervangende leningen: de door de aandeelhouder gefourneerde middelen waren nimmer door een onafhankelijke derde (tegen dezelfde voorwaarden) aan de vennootschap verstrekt en moesten daarom tot het risicodragende vermogen worden gerekend.2 Het is niet duidelijk of het hof deze overweging onderschreef: in zijn arrest verwees het hof weliswaar naar de lening van de aandeelhouder onder de noemer “kapitaalsinjectie”, maar nam het de overwegingen van de rechtbank inzake de informele kapitaalverstrekking niet uitdrukkelijk over. Daarnaast zij men erop bedacht dat de Hoge Raad de homologatieprocedure heeft aangemerkt als een rechterlijk-administratieve procedure, die gericht is op “een spoedige beslissing over het akkoord”, en tevens heeft onderstreept dat de rechter een ruime discretionaire vrijheid toekomt bij zijn goedkeuring of weigering van een akkoord.3 Tot slot zij erop gewezen dat Carrier 1 niet in faillissement, maar surseance van betaling verkeerde, waardoor bij de totstandkoming van het akkoord ook meewoog dat daardoor het faillissement van Carrier 1 zou kunnen worden voorkomen.4 In het licht van deze omstandigheden kan mijns inziens in de Carrier 1-uitspraak geen principieel oordeel over financiering met aandeelhoudersleningen worden gelezen.5