Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.4.1
IV.4.1 Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460307:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waarom de onrechtmatige daad hiervoor bij uitstek geschikt is licht ik toe in par. IV.1.3 en IV.2.2.3.
Zie par. IV.2.2.3 onder onrechtmatige daad. De vereisten van de onrechtmatige daad in de context van milieuaansprakelijkheid komen hierna in par. IV.5 aan bod.
Of de ernstig verwijt-maatstaf geldt naast- of in plaats van (bepaalde) gewone vereisten van de onrechtmatige daad is onduidelijk. De precieze verhouding tussen de ernstig verwijt-maatstaf en de criteria van artikel 6:162 BW is in de rechtspraak of literatuur niet uitgekristalliseerd, zie hierover par. IV.2.7.
In het kader van de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden van rechtspersonen, is de onrechtmatige daad de aangewezen grondslag voor een vordering tot schadevergoeding.1 Een derde die (milieu)schade heeft geleden kan op grond van artikel 6:162 BW die schade verhalen op een leidinggevende, op voorwaarde dat de milieuschade het gevolg is van een milieunormschending die kan worden toegerekend aan de leidinggevende.2 Echter, voor bestuurders van rechtspersonen – een belangrijk type leidinggevenden – wordt afgeweken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW: volgens de heersende leer is een bestuurder die handelt in hoedanigheid pas aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad als er sprake is van een ernstig verwijt.3 Deze maatstaf is echter niet onomstreden, en het kan worden betwijfeld of deze afwijking van de gewone onrechtmatige daad kan standhouden.
Voor de beantwoording van de vraag welke vereisten gelden voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders, moet daarom eerst worden beslecht of de toepassingvandeernstigverwijt-maatstafvoordeonrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van bestuurders is gerechtvaardigd. Om die vraag te beantwoorden heb ik in paragraaf IV.2 de achtergrond, betekenis, systematiek en het toepassingsbereik van de ernstig verwijt-doctrine tegen het licht gehouden. Daar kom ik tot de conclusie dat er geen solide rechtstheoretische- of rechtshistorische basis bestaat voor de uitzonderingspositie van bestuurders, en dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in de context van de onrechtmatige daad bovendien allerhande dogmatische en praktische problemen oplevert. Daarom rijst de vraag waarom er voor de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens derden dan toch wordt afgeweken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad.
In de paragraaf IV.3 heb ik de argumenten bestudeerd die voorstanders van de ernstig verwijt-doctrine aanvoeren om de uitzonderingspositie van bestuurders te rechtvaardigen. In de juridische literatuur kunnen in ieder geval de volgende vijf argumenten worden onderscheiden: 1) het streven naar normatieve convergentie; 2) de gedachte dat er ‘primair sprake is van handelingen van de vennootschap’; 3) het ‘bange bestuurders’-argument; 4) het streven om beleidsvrijheid te waarborgen en hindsight bias van de rechter te voorkomen; en 5) de opvatting dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf een rechtspolitieke keuze is.
Hierna geef ik eerst een korte samenvatting van mijn evaluatie van deze argumenten (par. IV.4.2). Na dit overzicht maak ik de balans op en geef ik antwoord op de vraag of de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is gerechtvaardigd (par. IV.4.3). Ik kom tot de conclusie dat geen van de bestudeerde argumenten een solide grondslag biedt voor het afwijken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW bij bestuurdersaansprakelijkheid. Vanwege het ontbreken van een steekhoudende rechtvaardiging en gelet op de bezwaren tegen de toepassing van de ernstig verwijtmaatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad die ik heb geformuleerd in paragraaf IV.2, pleit ik ervoor om deze maatstaf buiten toepassing te laten. Het afwijken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW is mijns inziens niet alleen ongerechtvaardigd en onpraktisch, maar ook onnodig: binnen de gewone vereisten van de onrechtmatige daad kan immers voldoende rekening worden gehouden met de positie waarin een bestuurder (die in hoedanigheid handelt) verkeert. Aan het einde van deze paragraaf sta ik stil bij de voordelen van het buiten toepassing laten van de ernstig verwijt-maatstaf, en licht ik toe op welke manier de terugkeer naar de gewone onrechtmatige daad kan worden gerealiseerd (par. IV.4.4).