Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/228
228 Het perspectief van de actor
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364144:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Mits de sanctie zwaar genoeg is en er geen mogelijkheden zijn om de daadwerkelijke openbaarmaking te maskeren.
Hiervan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer het handelen niet zozeer onwettig is, maar als moreel verwerpelijk wordt gezien.
Het tegenovergestelde is ook mogelijk: door bijvoorbeeld het eigen belang openbaar te maken kan de actor het als gerechtvaardigd zien om (meer) in het eigen belang te handelen. De wederpartij is immers op de hoogte van de tegenstrijdige belangen die spelen.
Er is geen positieve werking indien transparantie ervoor zorgt dat de actor in de openbaarmaking een rechtvaardiging ziet voor het handelen in het eigen belang.
De managerial powertheorie gaat ervan uit dat het camoufleren van de bezoldiging van bestuurders voortvloeit uit het eerste geval. Mijns inziens ligt echter, zoals ik zal toelichten, de tweede situatie meer voor de hand.
Wanneer wordt uitgegaan van de aanname dat bepaald gedrag ongewenst is, dan is mijns inziens een aantal vragen bepalend voor de preventieve werking die uitgaat van het invoeren van transparantieverplichtingen. Om te beginnen is van belang of de actor zijn handelen zelf wél ziet als rechtmatig, althans als juist, of niet. Is de actor zich ervan bewust dat zijn handelen niet door de beugel kan, dan zal de verplichting tot openbaarmaking veelal tot resultaat hebben dat de actor zijn handelen zal (moeten) aanpassen.1
Ziet de actor zijn handelen als correct, dan is het vervolgens de vraag of er een bepaalde bewustwording optreedt wanneer hij wordt verplicht dat handelen openbaar te maken.2 Zo kan het voorkomen dat de verplichting tot openbaarmaking tot gevolg heeft dat de actor zich bewust wordt van andere perspectieven op zijn handelen, die hij tot de zijne maakt.3
Tenslotte is er nog de mogelijkheid dat de verplichting tot transparantie de visie van de actor dat zijn handelen rechtmatig en (moreel) verantwoord is, niet beïnvloedt. De transparantievoorschriften kunnen dan nog steeds enige invloed hebben. De actor kan zich genoodzaakt voelen zich bij zijn handelen meer rekenschap te geven van de afwijkende visie van anderen. Ook al is hij niet van mening dat zijn handelen aanpassing verdient, kan hij door de openbaarmakingsverplichtingen eerder geneigd zijn bepaalde grenzen te vermijden.
De preventieve werking van transparantie is het grootst wanneer de actor zijn handelen ziet of gaat zien als onrechtmatig en/of moreel verwerpelijk. De preventieve werking van transparantie is het kleinst wanneer de actor van mening is dat andere visies op zijn handelen onjuist zijn en hij rechtmatig en moreel correct handelt.4
Het perspectief van de actor is daarnaast eveneens bepalend voor de mate waarin transparantieverplichtingen worden nageleefd. Naleving wordt opmerkelijk genoeg het meest geweld aangedaan zowel in het geval de actor zijn handelen ziet als onrechtmatig als wanneer de actor van mening is en blijft dat zijn handelen rechtmatig en moreel juist is. In de eerste situatie zal de actor trachten te maskeren dat hij onrechtmatig handelt door te zorgen voor een minimale transparantie. In de tweede situatie zal gekozen worden voor een minimale naleving van de transparantievoorschriften omdat de actor van mening is dat het verstrekken van meer informatie slechts zal leiden tot in zijn ogen ongefundeerde kritiek en onterechte sancties.5