Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/3.1:3.1 Inleiding
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714005:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.2 en 5.3.
Hoofdstukken 6 en 8.
Vgl. Loth 1988, p. 239, die het heeft over: aansprakelijkheid, actorschap en persoonlijkheid.
HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Daad en daderschap zijn vereist voor de vaststelling van de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De daad is de handeling die de schade heeft veroorzaakt of het nalaten van de handeling dat de schade heeft veroorzaakt. De dader is de persoon die de handeling verricht of nalaat te verrichten. Om te achterhalen wat de betekenis is van de hoedanigheid van ondernemer voor het daads- en het daderschapscriterium,1 is het noodzakelijk om ‘daad’ en ‘daderschap’ nader te definiëren en om te verduidelijken hoe het daderschap juridisch wordt geconstrueerd. Deze twee punten staan centraal in dit hoofdstuk.
Het daderschap van de rechtspersoon is relevant, omdat een gelaedeerde moet weten wie hij aan moet spreken indien hij schade heeft geleden. Ook indien iemand een verbods- of gebodsactie op grond van art. 3:296 BW wil instellen, is het nodig om te weten tegen wie hij deze actie moet instellen. Tot slot is het daderschap van belang, omdat de hoedanigheid van de dader van betekenis is voor de vereiste mate van zorgvuldigheid en daarmee van invloed is op de vraag of schade kan worden afgewenteld of blijft liggen waar die is geleden.2
Paragraaf 3.2 definieert de begrippen (rechts)persoonlijkheid, handeling en daderschap.3 Er wordt geconcludeerd dat voor zowel de individuele mens als voor de rechtspersoon een juridisch persoonlijkheidsbegrip, handelingsbegrip en daderschapsbegrip geldt. De handeling van de rechtspersoon krijgt gestalte aan de hand van het Babbel-criterium:4 heeft een handeling van een functionaris in het maatschappelijk verkeer te gelden als handeling van de rechtspersoon? De ontstaansgeschiedenis, inhoud en reikwijdte van dit criterium worden besproken in paragraaf 3.3. Paragraaf 3.4 gaat in op het onderscheid tussen het Babbel-criterium en de kwalitatieve aansprakelijkheid voor ondergeschikten van art. 6:170 BW. In paragraaf 3.5 komt de concretisering van het Babbel-criterium aan bod. Verscheidene gezichtspunten worden behandeld die de rechter behulpzaam kunnen zijn bij de invulling van deze open norm. In paragraaf 3.6 staat het fenomeen ‘daderschapsverdubbeling’ centraal. Ik betoog dat het daderschap van de rechtspersoon niet samenvalt met het daderschap van de functionarissen behorende tot de organisatie.