Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/1.1.2
1.1.2 De vordering uit onverschuldigde betaling en haar verhouding tot artikel 6:212
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497425:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 6, p. 804.
Zie daarover hoofdstuk 5, par. 5.3.2.
In dit geval heeft A bij C de indruk gewekt als hulppersoon van B de prestatie te verrichten aan C, zodat de schuld van B aan C teniet zou gaan. Betoogd kan daarom worden dat A gedragingen heeft verricht op grond waarvan hij de rechtsverhouding BC tegen zich moet laten werken (in tegenstelling tot het voorbeeld uit par. 1.1.1 onder (i), waar A volledig buiten de rechtsverhouding BC staat; in dat geval is het goed verdedigbaar dat A de rechtsverhouding BC niet tegen zich hoeft te laten werken).
Bartels 2004, p. 158-159; zie ook Hartkamp 2004, p. 851.
Asser/Van der Grinten/Kortmann 2004 (2-I), nr. 142.
HR 28 februari 1997, NJ 1998/218.
Vgl. PG Boek 6, p. 804. Zie voor een analyse van de girale betaling par. 6.5.4-6.5.5.
Een partij die een betaling heeft verricht terwijl daarvoor een rechtsgrond ontbreekt, kan de betaling in beginsel terugvorderen op grond van artikel 6:203.
De belangrijkste vereisten van artikel 6:203 zijn: i) dat een betaling is verricht, en ii) dat voor deze betaling een rechtsgrond ontbreekt. Het begrip betaling heeft volgens de parlementaire geschiedenis en de literatuur een bijzondere betekenis. Het gaat erom “of hetgeen in concreto is gebeurd, naar zijn objectieve strekking als een prestatie aangemerkt kan worden”. Daarbij “dient [het] te gaan om een door de een tot een bepaalde andere persoon gerichte handeling”. In dit verband zou niet relevant zijn wat partijen met de prestatie hebben beoogd.1
In de literatuur is geconcludeerd dat uit deze omschrijving volgt dat alleen degene die een “objectieve prestatie” heeft verricht een vordering uit onverschuldigde betaling kan instellen, en wel tegen degene die deze objectieve prestatie in ontvangst heeft genomen. Het toepassingsbereik van artikel 6:203 is daardoor beperkt, omdat andere partijen niet kunnen terugvorderen, c.q. niet aangesproken kunnen worden op grond van artikel 6:203. Er zijn echter gevallen waarin een prestatie is verricht op grond van een gebrekkige rechtsverhouding, terwijl de objectieve prestatie niet is verricht door degene van wie het wenselijk is dat hij een vordering tot terugbetaling heeft. En zo zijn er ook gevallen waarin een prestatie is verricht op grond van een gebrekkige rechtsverhouding, terwijl de partij van wie het wenselijk is dat hij dient terug te betalen, niet degene is die de objectieve prestatie in ontvangst heeft genomen. Het beperkte toepassingsbereik van artikel 6:203 leidt ertoe dat een wenselijke oplossing in dit soort gevallen alleen kan worden bereikt door te aanvaarden dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat. Dat doet zich in het bijzonder voor in meerpartijenverhoudingen. Ter verduidelijking volgt hierna een tweetal voorbeelden.
(i) Niet altijd betaling in de zin van artikel 6:203 bij afgekorte betaling
De zogenaamde afgekorte betaling is een voorbeeld van een meerpartijenverhouding waarin een presterende partij zijn prestatie niet altijd kan terugvorderen uit hoofde van onverschuldigde betaling, terwijl hij wel een vordering tot terugbetaling dient te hebben. Bij een afgekorte betaling is sprake van de volgende situatie. A heeft een schuld aan B en B heeft een schuld aan C. B verzoekt A om niet aan hem te presteren, maar aan C. A en B beogen op deze wijze zowel de schuld van A aan B als de schuld van B aan C te voldoen. In de literatuur is daarom betoogd dat de rechtsgrond voor de prestatie van A aan C wordt gevormd door ‘de optelsom’ van de rechtsverhoudingen AB en BC. Een gebrek in een van beide rechtsverhoudingen zou ertoe leiden dat de rechtsgrond voor de prestatie ontbreekt.
Stel nu dat – in tegenstelling tot wat partijen meenden – de schuld van A aan B niet bestond. A komt achter zijn vergissing en wil zijn betaling terugvorderen. Volgens de parlementaire geschiedenis en veel schrijvers2 is de bedoeling die partijen met de betaling hebben gehad (het nakomen van de schuld van A aan B en de schuld van B aan C) niet relevant. De betaling in de zin van artikel 6:203 wordt daarom gevormd door de prestatie van A aan C, terwijl A geen betaling in de zin van artikel 6:203 heeft verricht aan B. Dit betekent dat A geen vordering uit onverschuldigde betaling heeft tegen B. Voor de prestatie van A aan C ontbreekt een rechtsgrond, zodat A in beginsel zijn vordering zou kunnen terugvorderen van C. Echter in de literatuur wordt betoogd dat C dient te worden beschermd tegen de vordering van A. De reden daarvoor is dat C kreeg waar hij recht op had in zijn rechtsverhouding tot B.3 C is bovendien jegens B verplicht de betaling van A te aanvaarden, op straffe van schuldeisersverzuim. De keerzijde van deze verplichting zou daarom zijn dat C de betaling die hij heeft ontvangen niet hoeft terug te geven.4 Dit betekent dat A volgens de heersende leer geen vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling heeft – niet tegen B, noch tegen C.
Om te voorkomen dat A met lege handen blijft staan, wordt aanvaard dat A een vordering heeft tegen B uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.5 Hier blijkt dat de (wenselijke) reikwijdte van artikel 6:212 mede afhankelijk is van de reikwijdte van artikel 6:203. Een beperkte uitleg van artikel 6:203 brengt mee dat artikel 6:212 zodanig ruim moet worden uitgelegd, dat het ook ziet op meerpartijenverhoudingen waarin prestaties zijn verricht. Andersom lijkt dit te impliceren dat een ruime reikwijdte van artikel 6:203 een beperkter toepassingsbereik van artikel 6:212 mogelijk maakt.
(ii) Beperkt toepassingsbereik 6:203 bij girale betaling
Uit het arrest Staat/Meijer blijkt dat de Hoge Raad niet elke prestatie aanmerkt als een betaling in de zin van artikel 6:203.6 De casus van dit arrest is als volgt. De Staat betaalt op een bankrekening van Meijer ter nakoming van een geldschuld. Meijer heeft de bankrekening echter rechtsgeldig uitgesloten, zodat de Staat niet bevrijdend heeft betaald. De Staat moet daarom nogmaals betalen – op een bankrekening die niet is uitgesloten. Meijer vordert dat de Staat wordt veroordeeld om (nogmaals) te betalen. De staat voert als verweer aan dat hij recht heeft op terugbetaling. Meijer bestrijdt het verweer van de Staat. Hij voert aan dat hij niet door de betaling op de uitgesloten bankrekening is gebaat, omdat de bankrekening een negatief saldo had en de bijschrijving geen invloed had op onderhandelingen die hij met de bank voerde over kwijtschelding van de schuld. Volgens Meijer zou een terugbetalingsverplichting hem in een nadeligere situatie brengen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de betaling van de Staat op de uitgesloten bankrekening.
De Hoge Raad komt Meijer tegemoet. Hij oordeelt dat de Staat geen vordering uit onverschuldigde betaling heeft. De Hoge Raad geeft als motivering voor dit oordeel dat de betaling van de Staat geen betaling is in de zin van artikel 6:203. Bovendien zou de Staat niet onverschuldigd hebben betaald. De argumentatie van de Hoge Raad wordt hierna in hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.5.1 bekritiseerd (immers, de eerste betaling door de Staat kan naar haar objectieve strekking als een prestatie aangemerkt worden, dat wil zeggen een handeling van een persoon, die is gericht tot een bepaalde andere persoon; bovendien was een andere prestatie verschuldigd, omdat de Staat op een andere bankrekening had moeten betalen).7 Hier is alleen van belang dat de Hoge Raad het wel wenselijk acht dat de Staat de eerste betaling kan terugvorderen – echter alleen voor zover Meijer door de betaling is verrijkt. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat de Staat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt voor zover Meijer door de eerste betaling is verrijkt.
Opnieuw blijkt dat de reikwijdte van artikel 6:212 mede wordt bepaald door de reikwijdte van artikel 6:203. Een beperkt toepassingsbereik van artikel 6:203 brengt mee dat artikel 6:212 zodanig ruim moet worden uitgelegd dat het ook ziet op gevallen waarin prestaties zijn verricht. Opnieuw verdient opmerking dat dit lijkt te impliceren dat een ruime reikwijdte van artikel 6:203 een beperkter toepassingsbereik van artikel 6:212 mogelijk maakt.