Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.1:4.5.1 Inleiding
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493956:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er bestaan vele visies op het vereiste dat een verrijking ‘ongerechtvaardigd’ is. Deze visies hangen samen met de uitleg die wordt gegeven aan het vereiste dat een voldoende verband bestaat tussen de verrijking en verarming. Bijvoorbeeld, als de verrijking niet wordt beperkt tot vermogensverschuivingen kan een verrijking ongerechtvaardigd zijn omdat dit voortvloeit uit de billijkheid, omdat de verrijkte onrechtmatig heeft gehandeld, of omdat dit voor zijn risico komt.1
Echter, hierboven is betoogd dat het wenselijk is dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alleen ontstaat bij inbreuken op exclusieve rechtsposities. Een inbreuk vindt plaats als een ander dan degene die tot een exclusieve rechtspositie gerechtigd is, handelingen verricht die enkel aan de rechthebbende toekomen. Daarbij gaat het om het gebruik, het genot en de exploitatie van de exclusieve rechtspositie alsmede de beschikking daarover.
De hier voorgestelde beperking van artikel 6:212 heeft gevolgen voor de invulling van het vereiste dat een verrijking ongerechtvaardigd is. Bij deze beperking hoeft ‘slechts’ te worden gezocht naar een bijpassend criterium aan de hand waarvan kan worden bepaald of de verrijking – die ligt besloten in de verrichting van de handeling die is voorbehouden aan de rechthebbende van een exclusieve rechtspositie – ongerechtvaardigd is.
In deze paragraaf wordt onderzocht hoe dit criterium dient te worden vormgegeven (par. 4.5.2). Ik kom tot de conclusie dat een rechtvaardiging dient te bestaan voor een vermogensverschuiving die ligt besloten in een aan de rechthebbende voorbehouden handeling. Ik bespreek de twee mogelijke rechtvaardigingen: het stelsel van de wet (par. 4.5.3) en rechtshandelingen (par. 4.5.4). In het bijzonder besteed ik aandacht aan rechtshandelingen en derden (par. 4.5.5). Alvorens af te sluiten met een conclusie, bespreek ik tot slot de consequenties van deze opvatting voor het leerstuk van de paritas creditorum (par. 4.5.6).