Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.1
5.4.1 Inleiding
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS616820:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Riedel bestaan – in Duitsland – nog vele onzekerheden over het erfrechtelijke waardevraagstuk, omdat een jurist zélf niet in staat is om uiteenlopende vermogensbestanddelen van een waarde te voorzien. Hij is daarvoor aangewezen op de bijstand van taxateurs, die een waarde zouden moeten kunnen bepalen aan de hand van de door een jurist, en in geval van een geschil door een rechter, verstrekte richtlijnen. Aan dergelijke richtlijnen ontbreekt het echter; de – Duitse – jurisprudentie levert geen rechtsregels op die boven het concrete geval uitstijgen. Rechtspraak met betrekking tot het waardevraagstuk is in nagenoeg alle gevallen casuïstisch van aard en aan de uitspraken zijn zelden algemene beginselen te ontlenen. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 1. In Nederland is het naar mijn mening niet veel anders (beter).
Zie daarover uitgebreider, paragraaf 11.
Zoals in hoofdstuk 4, § 5 aangegeven, zal ik aan de hand van Fallgruppen jurisprudentie-onderzoek doen naar de voor het waardebegrip in het erfrecht relevante factoren. In deze proeve ga ik uit van een drietal Fallgruppen, te weten onderneming, aandelen (in een NV/BV) en woning. Deze keuze is ingegeven door het feit dat ‘waardejurisprudentie’, voor zover beschikbaar, nagenoeg uitsluitend deze – in een vermogen doorgaans meest waardevolle – objecten betreft. Met onderneming bedoel ik de persoonlijke onderneming (ook wel ‘IB-onderneming’) genoemd, welke als eenmanszaak maar ook in personenvennootschapsvorm gedreven kan worden. Relevante, erfrechtelijke jurisprudentie over aandelen is overigens niet voor handen; deze Fallgruppe ontbreekt dan ook in dit onderdeel.
In de volgende vier paragrafen volgt een bespreking van de terzake relevante jurisprudentie, gevolgd door een beschrijving van enig commentaar op die jurisprudentie in de literatuur alsmede een analyse op aanwezige, (mogelijk) waardebepalende factoren en waarderingsmaatstaven.
Een jurisprudentie-onderzoek is per definitie onvolledig; het is immers onmogelijk om alle gewezen beschikkingen, vonnissen en arresten aan een analyse te onderwerpen. Statistisch gezien is dat ook niet nodig. Voor statistici heeft iedere uitkomst in beginsel statistische relevantie, waarbij de betrouwbaarheid evenwel toeneemt met de omvang van de ‘steekproef’.
De selectie uit de jurisprudentie voor de onderhavige steekproef is primair gebaseerd op de arresten (en enkele vonnissen) die, (in)direct betrekking hebbend op de waarde van een onderneming, aandelen of een woning, in de literatuur zijn besproken of waar naar verwezen is. Voorts komen enige recente, veelal (nog) niet-geannoteerde, uitspraken aan de orde. Niet iedere Fallgruppe bevat even veel uitspraken, hetgeen van invloed kan zijn op de analyse. Voorts zij daar nog bij aangetekend dat de wijze van procesvoering de uitkomst van de procedure en daarmee de analyse kan en waarschijnlijk ook zal beïnvloeden.1 Voor de betrekkelijk geringe omvang van de ‘waardejurisprudentie’ kan ten slotte nog als mogelijke verklaring worden aangevoerd, dat waarde-oordelen – naar mijn mening overigens ten onrechte – als feitelijke kwesties worden aangemerkt en derhalve in cassatie niet voor behandeling in aanmerking komen.2
In dit onderdeel komt de jurisprudentie aan de orde waarin de afwikkeling van een huwelijksgemeenschap en/of nalatenschap als gevolg van overlijden in het geding was. In hoofdstuk 6, § 3 komt de jurisprudentie aan bod waarbij de afwikkeling (verdeling) van een huwelijksgemeenschap na echtscheiding (scheiding van tafel en bed) – mede – de aanleiding tot het geschil vormde, omdat in dit hoofdstuk de begrippen in het huwelijksvermogensrecht worden behandeld.